Wat is BOOM?

Boom: Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie; Ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel (criminele winst):
Een onderdeel van het Openbaar Ministerie genaamd BOOM (Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie) zal bij (omvangrijke) hennepkwekerijen een rapport opstellen waarin het (geschatte) bedrag wordt berekend dat is verdiend met de hennepkwekerij. Dit wordt ook wel het BOOM-rapport genoemd. Hoe werkt de ontnemingsprocedure?
Als er aanleiding is om te veronderstellen dat er crimineel geld is verdiend met het plegen van een strafbaar feit (bijvoorbeeld de teelt van hennepplanten) kan er door het Openbaar Ministerie een financieel onderzoek worden uitgevoerd. Hierin wordt onderzocht wat de omvang is van het criminele vermogen. Platgezegd, wat er is verdiend met het strafbare feit. Deze berekening wordt in een rapport geschreven. Dit wordt het ontnemingsrapport genoemd. In dit rapport wordt uiteengezet hoe het Openbaar Ministerie tot het ontnemingsbedrag komt. Veelal is deze berekening gebaseerd op een standaardberekening dat is afgeleid uit een wetenschappelijk rapport. Hieronder vindt u de tekst van dat rapport. Dit rapport vormt de basis van de ontnemingsvordering; dit is het bedrag dat de Officier van Justitie aan de rechter vraagt om op te leggen, naast de veroordeling. In de praktijk betekent dit dat de rechter een straf oplegt (voor het kweken van hennep) en een bedrag dat moet worden terugbetaald. Dit laatste is officieel geen straf maar een maatregel (maar voelt natuurlijk wel als een straf).
Hebt u hier nog vragen over? Die mag u (gratis) stellen door het invullen van ons contactformulier.

Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht Standaardberekening en normen Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie april 2005
Overzicht standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij bestaat uit de onderstaande bouwstenen. Bij de berekening zal zoveel mogelijk uitgegaan moeten worden van de tijdens het onderzoek bekend geworden werkelijke gegevens. Slechts indien deze werkelijke gegevens ontbreken kunnen de bij de bouwstenen genoemde normen gebruikt worden. Achter elke norm is aangegeven op welke pagina informatie over de samenstelling van de norm te vinden is.

A. Opbrengst
De volgende bouwstenen bepalen de totale opbrengst:
1. De periode van hennepkweek zal aannemelijk gemaakt moeten worden (p. 13)
2. Aantal oogsten: periode gedeeld door een kweekcyclus van 10 weken (p. 14)
3. Aantal planten: aanwezige aantal planten tijdens ontmanteling kwekerij (p. 16)
4. Opbrengst hennep in grammen: afhankelijk van aantal planten per m2 als in onderstaande tabel (p. 17); indien het aantal planten per m2 niet bekend is, zal uitgegaan worden van 15 planten per m2 , de mediaan uit het verrichte onderzoek, en de daarbij behorende opbrengst van 28,2 gram per plant. Planten per m2 Opbrengst per plant Planten per m2 Opbrengst per plant Planten per m2 Opbrengst per plant Planten per m2 Opbrengst per plant 1 34,3 11 30,0 21 25,1 31 19,6 2 33,9 12 29,6 22 24,6 32 19,0 3 33,5 13 29,1 23 24,1 33 18,4 4 33,1 14 28,6 24 23,5 34 17,9 5 32,7 15 28,2 25 23,0 35 17,3 6 32,2 16 27,7 26 22,4 36 16,7 7 31,8 17 27,2 27 21,9 37 16,1 8 31,4 18 26,7 28 21,3 38 15,5 9 30,9 19 26,2 29 20,8 39 14,9 10 30,5 20 25,7 30 20,2 40 14,2
5. Opbrengst hennep in geld: € 2.370,- per kilogram (p. 23) De opbrengst van een kwekerij met 350 planten, 20 planten per m2 en een periode van 52 weken bedraagt dan: 5 (aantal oogsten) x 350 (aantal planten) x 25,7 (grammen/plant) x € 2,37 = € 106.590,75 3

B. Kosten
De volgende bouwstenen bepalen de totale kosten:
1. Afschrijvingskosten van de investeringen: afhankelijk van het aantal planten per oogst, zijn de afschrijvingskosten als in onderstaande tabel (p. 31): Aantal planten Afschrijvingskosten per oogst in € 0 – 199 150,- 200 – 299 200,- 300 – 399 250,- 400 – 499 300,- 500 – 599 350,- 600 – 699 400,- 700 – 799 450,- 800 – 899 500,- 900 – 1.000 500,-
2. Variabele kosten: stekken, kweekmedium, water, voedingsstof: € 4,40 per plant (p. 34)
3. Elektriciteit (alleen in mindering te brengen indien aannemelijk is dat deze kosten ook daadwerkelijk betaald zijn) (p. 37):
• indien illegaal afgenomen: de niet betaalde kosten berekend door het energiebedrijf (exclusief administratiekosten etc. in rekening gebracht door het energiebedrijf en exclusief de in rekening gebrachte energiekosten voor de in beslag genomen oogst);
• indien legaal afgenomen: de berekening door het energiebedrijf of, indien deze berekening niet voorhanden is, een kostenpost per lamp per oogst zoals opgenomen in onderstaande tabel: Wattage lamp Afgerond per oogst in € 400 90,00 600 125,00 1.000 195,00
4. Kosten knippers (alleen in mindering te brengen indien aannemelijk is dat deze kosten ook daadwerkelijk betaald zijn): € 2,- per plant (p. 41)
5. Huisvestingskosten: alleen in mindering brengen indien ze niet ook al voor legale doeleinden gemaakt zijn (p. 42). De kosten bij bovengenoemde kwekerij van 350 planten, waarbij betrokkene zelf geknipt heeft en de elektriciteit illegaal is afgenomen en nog niet betaald is, bedragen: € 1.250,- (5 x 250,-; afschr.kosten) + € 7.700,- (5 x 350 x 4,40; var. kosten) = € 8.950,-

C. Wederrechtelijk verkregen voordeel = Opbrengst (A) minus kosten (B) Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt: € 106.590,75 – € 8.950,- = € 97.640,75 4

INHOUDSOPGAVE pagina Voorwoord 1 Overzicht standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht 2 Inhoudsopgave 4 1. Inleiding 6 1.1. Algemeen 6 1.2. De kweek van hennep 6 1.3. Juridisch kader 7 1.4. Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel 9 1.5. Project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen” 10 1.6. Uitgangspunten standaardberekening 11 1.7. Gebruikte gegevens 11 2. Opbrengst 13 2.1. Aantal oogsten 13 2.1.1. Periode 13 2.1.2. Kweekcyclus 14 2.2. Aantal planten 16 2.3. Opbrengst hennep in grammen 17 2.3.1.Algemeen 17 2.3.2.Wetenschappelijk onderzoek naar de opbrengst in grammen 18 2.3.3.Norm opbrengst hennep in grammen 20 2.4. Opbrengst hennep in geld 23 3. Kosten 25 3.1. Algemeen 25 3.2. Investeringen 27 3.2.1. Omvang investeringen 29 3.2.2. Afschrijvingskosten 31 5 3.3. Variabele kosten 34 3.3.1. Stekken 34 3.3.2. Kweekmedium 34 3.3.3. Waterverbruik 36 3.3.4. Voedingsstoffen 36 3.3.5. Totale variabele kosten per plant 36 3.4. Overige kosten 37 3.4.1. Elektriciteit 37 3.4.2. Personeelskosten 41 3.4.3. Huisvestingskosten 42 Jurisprudentieoverzicht 43
Bijlage: Opbrengstbepaling van illegale hennepteelt in Nederland, deskundigenonderzoek Dr. ir. M.A.J. Toonen, Ir. J.T.N.M. Thissen Plant Research International B.V., Wageningen 12 april 2005 6 1. Inleiding 1.1 Algemeen De kweek van hennep blijkt een lucratieve business, die voor de betrokkenen betrekkelijk weinig risico oplevert. Criminoloog Bovenkerk1 heeft in 2002 onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de aanpak van hennepplantages in de politieregio Utrecht en stelt in zijn rapport over het delict hennepteelt onder meer: “We hebben hier te maken met een type delict dat zich het beste laat begrijpen met het model van rationele keuze. Anders dan bij geweldpleging of seksuele misdrijven, is hier geen sprake van impulsief gedrag, maar van koele en overwogen berekening. In de calculus van pro’s en contra’s slaat de afweging door naar het eerste: de opbrengst van een plantage in een flinke tuinschuur van 5 bij 5 meter waar drie maal per jaar met succes wordt geoogst, levert al gauw netto meer dan enkele tienduizenden euro’s per jaar. Bij ontdekking staan de kosten volgens het gegeven tarievenlijstje in geen verhouding tot de baten. De betrokkenen zien het verlies algemeen als ingecalculeerd risico, er wordt vrijwel altijd (zij het na enig mopperen voor de show) vlot betaald.” Illustratief is het verhaal van een thuiskweker in het Utrechts Nieuwsblad2 . Deze thuiskweker heeft honderd planten op een zolder van 2,5 bij 2,5 meter (6,25m2 ) met een paar lampen erboven en stelt dat hij na aftrek van kosten netto op zo’n € 20.000,- per jaar uitkomt. In dezelfde krant stellen eigenaren van growshops dat het in de stad Utrecht zou gaan om vijfduizend plantages, terwijl energieleverancier Eneco intern uitgaat van tweeduizend henneptelers3 . Aldus lijkt er veel te verdienen in de hennepteelt. Als nu de pakkans klein is, de straffen laag lijken en de verdiensten niet ontnomen worden, zal er weinig zijn wat betrokkene ervan weerhoudt een nieuwe kwekerij op te starten. Indien het daarentegen een vast gebruik wordt dat naast de straffen ook de verdiensten ontnomen worden, wordt deze bezigheid minder lucratief en zal het voor betrokkene minder aantrekkelijk zijn weer een nieuwe kwekerij te beginnen. 1.2 De kweek van hennep De kweek van hennep start met het inrichten van de kweekruimte. De kweekruimte moet volledig verduisterd kunnen worden. Daglicht kan het kweekproces namelijk verstoren en naar buiten tredend (fel) kunstlicht maakt de kans op ontdekking groot. De verduistering wordt meestal gerealiseerd met plastic folie. 1 Prof. Dr. Frank Bovenkerk, augustus 2002, Effectief optreden tegen de bedrijfsmatige teelt van cannabis, p. 9 en 10 2 Utrechts Nieuwsblad 25 september 2004, p. 29: “Het is zo verdomde lucratief” 3 Utrechts Nieuwsblad 25 september 2004, p. 1: “Politie kan wietteelt niet aan” 7 De stekken worden geplant in bakken. Boven deze bakken worden lampen gehangen die in hoogte verstelbaar zijn. De lampen moeten namelijk gedurende de gehele kweekperiode vrij dicht boven de planten hangen. De luchtvochtigheid en temperatuur moeten gedurende de kweekperiode aangepast kunnen worden. Hiertoe is minimaal een lucht aan- en afvoerapparaat nodig. Aan het uiteinde van de luchtafvoer komen koolstoffilters die de lucht zuiveren op geur. In de winter kan het noodzakelijk zijn bij te verwarmen. Daarvoor kan een eenvoudige elektrische kachel gebruikt worden. Ten behoeve van de water- en voedselvoorziening zijn tonnen en pompen nodig. Na het planten van de stekken krijgen de planten gedurende circa één week de tijd om te groeien. Gedurende deze periode branden de lampen 18 uur per dag. Om de planten “in de bloei” te zetten wordt de lichtcyclus omgezet van 18 naar 12 uur per dag. De bloeiperiode duurt gemiddeld acht weken. Als de planten oogstrijp zijn, worden ze geoogst. Meestal worden de planten ter droging op de kop gehangen. Dit drogen duurt ongeveer één week. Na droging worden de bloemtoppen, de hennep, uit de planten geknipt. Het komt ook voor dat de bloemtoppen na het oogsten direct geknipt en daarna gedroogd worden. 1.3 Juridisch kader Het kweken van hennep is verboden ingevolge artikel 3 lid 1 onder B en C van de Opiumwet (OW): Artikel 3 lid 1 B en C OW Het is verboden de middelen, vermeld op de bij deze Wet behorende lijst II: B: te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren. C: aanwezig te hebben. D: te vervaardigen. De strafbaarstelling is geregeld in artikel 11 van de Opiumwet. Artikel 11 OW: 1. Hij die handelt in strijd met een in artikel 3 gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. 2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie. 3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. 4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. 8 5. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram. 6. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in lijst II vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj. Een veel gehoord misverstand is dat bij hennepkweek geen ontneming mogelijk zou zijn omdat het strafbare feit geen vijfde boetecategorie betreft. De voorwaarde van de vijfde boetecategorie geldt echter slechts voor het kunnen leggen van conservatoir beslag4 of het openen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO)5 . Bij het aantreffen van een hennepkwekerij is ontneming op grond van art. 36e Sr mogelijk, mits aangetoond kan worden dat er eerdere oogsten zijn geweest die tot voordeel hebben geleid. De tijdens een zoeking aangetroffen planten worden immers vernietigd en kunnen dus niet tot voordeel leiden. Op grond van het tweede lid van artikel 11 OW kan opzettelijke overtreding van art. 3 lid 1 onder B, C en D gestraft worden met een gevangenisstraf van maximaal twee jaren of een geldboete van de vierde categorie. Het opzettelijk handelen in strijd met art. 3, lid 1 onder B OW, in de uitoefening van een beroep of bedrijf kan volgens lid 3 van art. 11 OW, gestraft worden met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Ingevolge artikel 12 OW kan daarnaast een geldboete van de naast hogere categorie worden opgelegd indien “de waarde der zaken, waarmee of met betrekking tot welke de strafbare feiten zijn begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel van die feiten zijn verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximum van de geldboete op die feiten gesteld”. Een geldboete van de vierde categorie bedraagt maximaal € 11.250,-6 . Indien dus de waarde van de investeringen en/of het wederrechtelijk verkregen voordeel hoger is dan € 2.812,50 wordt het leggen van conservatoir beslag, en eventueel het openen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO), mogelijk. Op lijst II van de Opiumwet is hennep als verboden middel opgenomen. Onder hennep wordt elk deel van de plant van het geslacht Cannabis begrepen. Het Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld dat ook hennepstekjes vallen onder het begrip “hennep” zoals opgenomen in de Opiumwet7 . In het spraakgebruik zijn voor hennep diverse benamingen in gebruik, zoals cannabis, weed, nederweed, wiet en nederwiet. In deze rapportage wordt de naam hennep gebruikt. 4 art. 94a Sv 5 art. 126 Sv 6 art. 23 Sr 7 Hof Den Bosch 5 juli 2004, JOW 2005/29 9 1.4 Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel Uitgangspunt van de ontnemingswetgeving is dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de rechter wordt geschat (36e lid 4 Sr). Een exacte vaststelling van het voordeel is volgens de wetgever kennelijk veelal ondoenlijk. De schatting van het voordeel moet, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, wel zo nauwkeurig mogelijk geschieden. Indien een boekhouding aangetroffen wordt en de berekening tot op de cent nauwkeurig te maken valt, zal dit ook dienen te gebeuren. Borgers8 stelt hierover het volgende: “De twee genoemde uitgangspunten laten zich samenvatten in de regel dat de rechter op basis van een deugdelijke vaststelling van de feitelijke omstandigheden zo nauwkeurig mogelijk het wederrechtelijk verkregen voordeel moet vaststellen, waarbij onder vaststelling, zo daartoe aanleiding is, ook een schatting kan worden verstaan.” De meest nauwkeurige berekening valt dus te maken aan de hand van aangetroffen gegevens omtrent opbrengsten en kosten. In de praktijk ontbreekt echter meestal een afdoende registratie (‘boekhouding’) van opbrengsten en kosten. Voor wat betreft de verklaring van betrokkene omtrent de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet bedacht worden dat deze een duidelijk aanwijsbaar belang heeft om de opbrengsten zo laag mogelijk en de kosten zo hoog mogelijk vast te stellen. In de praktijk stellen opsporingsautoriteiten dan ook meestal zelf een berekening op. Mochten aanwijzingen over de concrete omstandigheden van het geval ontbreken, dan kan uitgegaan worden van objectieve ervaringsgegevens. Tot nu toe wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij veelal gebruik gemaakt van een tweetal rapportages uit 1995, te weten een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium (nu: Nederlands Forensisch Instituut), gericht op de gemiddelde opbrengst per hennepplant9 , en een rapport van de Divisie Centrale Recherche Informatie met daarin een aantal normen voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen10. Nu deze rapportages uit 1995 zijn kan de vraag gesteld worden of de daarin opgenomen gegevens nog wel actueel zijn. Daarnaast wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerijen in de diverse politieregio’s op verschillende wijzen berekend. De onderhavige rapportage beoogt dan ook aanwijzingen te geven voor een meer uniforme wijze van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen. Ingegaan wordt op nieuwe normen, die gehanteerd kunnen worden indien gegevens omtrent de werkelijke opbrengsten en/of kosten ontbreken. Deze normen kunnen tevens gebruikt 8 Borgers, M.J., De ontnemingsmaatregel, p. 206 9 H. Huizer en A.I. Poortman – van der Meer, Rapport inzake de opbrengst van hennepplanten bij “binnenkweek”, 16 maart 1995 10 L.D. Weeda, Divisie Centrale Recherche Informatie, 23 augustus 1995 10 worden om te toetsen of betrokkene een aannemelijke verklaring heeft afgelegd over zijn opbrengsten en kosten. Nogmaals wordt benadrukt dat ten behoeve van een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in eerste instantie uitgegaan moet worden van de werkelijkheid en dat de in deze rapportage genoemde normen pas aan de orde komen als deze gegevens ontbreken of niet aannemelijk lijken. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij bestaat standaard uit een aantal bouwstenen. Deze bouwstenen dienen stuk voor stuk aannemelijk gemaakt te worden. Hoofdstuk twee gaat in op de bouwstenen voor de opbrengst, terwijl hoofdstuk drie betrekking heeft op de kosten die in mindering gebracht kunnen worden. 1.5 Project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen” Om te kunnen komen tot een standaardberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen is het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) in samenwerking met de dienst Nationale Recherche Informatie (NRI; onderdeel van het Korps Landelijke Politiediensten), het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND) en het Financieel Expert Platform Politie (FEPP) in mei 2003 het project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen” gestart. Aan dit project hebben twaalf regionale politiekorpsen meegewerkt. De doelstellingen van het project zijn als volgt: 1. Het verbeteren van bestaande normen en eventueel ontwikkelen van nieuwe normen voor de opbrengst van hennepkweek. Deze normen dienen gebruikt te kunnen worden bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen. Deze normen zullen dermate onderbouwd moeten zijn, dat ze ook door de rechterlijke macht worden geaccepteerd. 2. Het ontwikkelen van een standaardberekening voor wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen die in alle politieregio’s gebruikt kan worden. 11 1.6 Uitgangspunten standaardberekening Hennep wordt zowel binnen als buiten geteeld. Bij buitenteelt is slechts één oogst per jaar mogelijk, terwijl bij binnenteelt meerdere oogsten per jaar mogelijk zijn. De laatste jaren zijn bijna geen kwekerijen buiten meer aangetroffen. Dit is ook logisch gezien het gegeven dat een hoge opbrengst per jaar, en dus een hoge winst, een doel op zich is geworden. Ook Bovenkerk11 stelt vast dat in de regio Utrecht een verschuiving van buitenteelt naar teelt binnenshuis heeft plaatsgevonden. Uit de literatuur en de jurisprudentie valt verder op te maken dat bij de start van een kweek in het algemeen gebruik wordt gemaakt van stekken in plaats van zaden. Ook hier speelt het economische motief een grote rol. De aanschaf van de stekken is duurder, maar daar tegenover staat een kortere kweekduur en een lager uitvalpercentage. Daarnaast zijn stekken allemaal vrouwelijke (en dus bruikbare) planten en zijn ze afkomstig van goede soorten die hun kwaliteit al bewezen hebben. Deze rapportage zal zich dan ook beperken tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij binnenteelt van hennep, ofwel de kweek van hennepplanten onder kunstlicht, gestart met stekken. 1.7 Gebruikte gegevens Project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen”. In het kader van dit project hebben twaalf regionale politiekorpsen aan de hand van een standaardvragenlijst bij in totaal 86 aangetroffen hennepkwekerijen met oogstbare of bijna oogstbare planten gegevens verzameld. Daarnaast zijn vanuit de diverse regio’s gegevens afkomstig uit opsporingsonderzoeken ontvangen met betrekking tot opbrengsten en kosten bij hennepkwekerijen. Project “Haagsche Gladiolen” In de politieregio Haaglanden heeft men in het voorjaar van 2003 de gegevens van een honderdtal aangetroffen hennepkwekerijen geanalyseerd. Het doel was om middels deze analyse te komen tot kengetallen voor onder meer de vaststelling van de oogstperiode, de opbrengst per plant, de groothandelsprijs van hennep, de directe kosten per hennepplant en een standaardisering van de noodzakelijke investeringen voor een hennepkwekerij. Van de uitkomsten van dit project is in deze rapportage dankbaar gebruik gemaakt. 11 Prof. Dr. Frank Bovenkerk, augustus 2002, Effectief optreden tegen de bedrijfsmatige teelt van Cannabis, p. 10 12 Jurisprudentie Naast het gebruik van jurisprudentie ten behoeve van algemeen aanvaarde uitgangspunten met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, is ook onderzocht in hoeverre uitspraken inzake voordeelsontneming bij hennepkweek gegevens bevatten die gebruikt kunnen worden ter bepaling van de norm per bouwsteen. Dit bleek vaak niet het geval te zijn, omdat in de uitspraken veelal gebruik werd gemaakt van normen in plaats van werkelijke gegevens. Zelfs als uitspraken werkelijke gegevens bevatten, moet beseft worden dat deze informatie ook niet altijd betrouwbaar hoeft te zijn, daar betrokkene tegenover opsporingsautoriteiten de opbrengst zo laag mogelijk en de kosten zo hoog mogelijk zal willen doen voorkomen. Overig Ten behoeve van deze rapportage zijn gegevens gebruikt die een algemeen overzicht verschaffen over de hennepteelt en daarbij inzicht verschaffen in de diverse kweekmethoden. Hiervoor is ook op het internet gezocht naar gegevens. Naast informatie omtrent het kweken van hennep, zijn gegevens aangetroffen omtrent opbrengsten van hennep, verkoopprijzen en kosten. 13 2. Opbrengst Het onderdeel opbrengst bestaat achtereenvolgens uit de volgende bouwstenen die aannemelijk gemaakt behoren te worden: • Aantal oogsten (2.1) • Aantal planten (2.2) • Opbrengst hennep in grammen (2.3) • Opbrengst hennep in geld (2.4) 2.1 Aantal oogsten De tijdens de doorzoeking aangetroffen planten worden vernietigd. Hier wordt dus geen voordeel mee behaald. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is het van belang na te gaan hoeveel voorgaande oogsten er geweest zijn, die betrokkene heeft kunnen verkopen. Betrokkene zal in zijn verklaring uiteraard het aantal oogsten zo laag mogelijk voorstellen. Omtrent de duur van de kweekcyclus is voldoende algemene informatie te vinden. Van belang is derhalve vast te stellen hoe lang de kwekerij bestaat. 2.1.1 Periode De periode dat er op deze locatie gekweekt werd, zal aannemelijk gemaakt moeten worden. Duidelijk zal derhalve moeten zijn wanneer de kwekerij gestart is. Naast de verklaring van betrokkene hieromtrent zal de periode aannemelijk gemaakt kunnen worden aan de hand van diverse aanwijzingen. Als voorbeeld hier een overweging van het Hof Den Bosch12: “De verweerder heeft in de periode van 3 november 1997 tot en met 11 november 1998, derhalve gedurende ruim een jaar, het pand A. te T. gehuurd en in gebruik gehad. Reeds vanaf 10 februari 1998 kwamen bij de politie Tilburg meldingen binnen van een sterke henneplucht, komende uit het pand A. te T. Gelet op een groeicyclus van twaalf weken en de meldingen van drugsoverlast vanaf februari 1998, kan naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat gedurende de periode van 3 november 1997 tot en met 11 november 1998 sprake is geweest van vier voltooide hennepoogsten in de hennepkwekerij welke verweerder heeft geëxploiteerd in het pand A. te T.” In bovenstaande uitspraak heeft het Hof Den Bosch dus gekeken naar het huurcontract en de meldingen van stankoverlast. Naast deze aanwijzingen kunnen er natuurlijk nog vele andere aanwijzingen zijn. Hieronder een aantal voorbeelden: • De begindatum van het huurcontract of de datum van aankoop van de onroerende zaak geeft op papier aan wanneer betrokkene voor het eerst met de locatie te maken heeft gekregen. Dit kan ook de begindatum van de kwekerij zijn. 12 Hof Den Bosch 5 oktober 2001, JOW 2002/5 14 • Ook de elektriciteitsrekening kan inzicht geven. Zo zal, indien de elektriciteit niet op illegale wijze afgenomen wordt, een duidelijke stijging van het verbruik vast te stellen zijn. • Zoals reeds aangegeven kunnen aangiften over overlast met betrekking tot de locatie ook informatie geven over de periode. Eventueel kan een buurtonderzoek uitkomst bieden. Naast stankoverlast kan gedacht worden aan aan- en afvoer van goederen, uitstraling van licht en dergelijke. Ook mutaties in politieregisters kunnen informatie opleveren. • Bij een doorzoeking zal specifiek gezocht moeten worden naar gegevens omtrent aanschaf van apparatuur en overige benodigdheden voor de kwekerij. Agenda’s van betrokkenen en overige aantekeningen moeten natuurlijk niet over het hoofd gezien worden, omdat daarin waardevolle gegevens omtrent de start van de kwekerij en kosten en opbrengsten opgenomen kunnen zijn. • Plantenresten van reeds geoogste planten geven de aanwijzing dat er op z’n minst één eerdere oogst geweest moet zijn. Hierbij is het verstandig om aan te geven wat voor soort plantenresten zijn aangetroffen. Vooral het aantreffen van wortelresten is van belang, omdat dit een duidelijke indicatie is dat de teelt ook ter plekke heeft plaatsgevonden. • De verkleuring van het koolstoffilter kan een aanwijzing zijn voor eerdere oogsten. Met name moet hierbij gelet worden op de onderlinge kleurverschillen met de onderdelen van het filter die bedekt zijn geweest, bijvoorbeeld onder de banden waarmee de filters opgehangen zijn. • Ook de aanwezigheid van een dikke laag stof op de armaturen van de assimilatielampen en de overige aanwezige apparatuur is een indicatie voor eerdere oogsten. • Kalk- en algenafzetting op het bevloeiingssysteem, waterreservoirs en dompelpompen, duidt op een langdurig gebruik van de betreffende apparatuur en is dus een aanwijzing voor eerdere oogsten. • Op PVC-pijpen en houten balken staat tegenwoordig vaak de productiedatum gedrukt. Ook op apparatuur zijn vaak productiedata vermeld. De kwekerij kan dan in principe niet vóór deze datum met deze onderdelen zijn ingericht, tenminste indien de gebruikte materialen niet ter vervanging van bestaande, kapotte, onderdelen zijn gebruikt. 2.1.2 Kweekcyclus Nadat aannemelijk is gemaakt gedurende welke periode hennep gekweekt is, zal bepaald moeten worden hoeveel oogsten er in die periode geweest zijn. Indien betrokkene hier iets over verklaart, zal nagegaan moeten worden of die verklaring aannemelijk is. Enige kennis van de groei- en bloeiperiode, de kweekcyclus, is hierbij van belang. Na een groeiperiode moeten de planten in de bloei getrokken worden. Uit de literatuur13 valt op te maken dat, uitgaande van stekken, de groeiperiode ongeveer één tot anderhalve week duurt, 13 www.hydrohobby.nl/deel5.htm 8-3-2002, Deel 5, De groei p.1 15 waarna door middel van de verandering in voeding en de lichthoeveelheid per etmaal de planten in bloei worden gebracht. Deze bloeiperiode duurt enige weken, waarna het geheel geoogst kan worden. In zijn rapportage stelt Weeda14 dat de totale groei- en bloeicyclus bij binnenteelt onder assimilatiebelichting in de meeste gevallen circa drie maanden bedraagt. Bij de huidige berekeningen van het wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen wordt dan ook veelal uitgegaan van vier oogsten per jaar, waarbij men zich meestal baseert op het rapport van Weeda. Er zijn echter diverse aanwijzingen dat de totale kweekcyclus minder weken bedraagt dan de door Weeda genoemde twaalf. Hierbij wordt uitgegaan van het kweken vanaf stekken: • een betrokkene heeft voor het Hof Den Haag verklaard dat tussen het moment van het planten van de stekjes en het moment waarop de planten oogstrijp zijn, een periode is gelegen van acht weken15; • op internet is informatie aangetroffen waaruit blijkt dat bij kweek op hydro geoogst kan worden tussen de 60 en 65 dagen na de start16. Dit is in totaal ongeveer negen weken; • een ook op internet aangetroffen schema voor de kweek op grond geeft aan dat in de negende week geoogst kan worden17. In beide schema’s is sprake van circa één week groei en ongeveer acht weken bloei; • uit op internet aangetroffen gegevens per plantensoort blijkt dat de gemiddelde kweekperiode 65 dagen is (variërend van 50 tot 74 dagen); • in een prijslijst van zaden wordt aangegeven welke bloeitijd de desbetreffende plant nodig heeft. De acht genoemde soorten voor alleen binnenteelt hebben een bloeitijd van gemiddeld 8,3 weken (variërend van 7 tot 10 weken)18. Hierbij moet, uitgaande van stekken, een groeitijd van circa één week opgeteld worden; • uit een op internet aangetroffen document blijkt dat de bloeiperiode afhankelijk is van de plantensoort, maar dat een bloeiperiode van acht à negen weken al lang genoemd kan worden19. Uit het bovenstaande blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn om redelijkerwijs aan te nemen dat de groei- en bloeitijd gemiddeld negen weken duurt. Rekening houdend met één 14 L.D.Weeda, Divisie Centrale Recherche Informatie, 23 augustus 1995, p. 4 15 Hof Den Haag 29 juni 2001, JOW 2005/27 16 www.smokeys.nl 4 april 2002, schema voor kweek op hydro 17 www.smokeys.nl 4 april 2002, schema voor de kweek op grond 18 www.growshop-headshop-dekweekplaneet.nl; Prijslijsten, Zaden en Smart Produkten 19 www.hydrohobby.nl/deel6.thm 8-3-2002, Deel 6, De bloeiperiode p.1: “De verschillende soorten weed bloeien allemaal op een eigen manier. De ene soort wat langer dan de ander. Voorbeeld: Victory bloeit ongeveer zes weken voordat ‘ie oogstrijp is. Maar de Sudden Death is pas na acht a negen weken gereed.” 16 week leegstand voor het oogsten, opruimen en planten van nieuwe stekken, is een gemiddelde kweekcyclus van tien weken aannemelijk. Norm kweekcyclus Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent het aantal oogsten zijn aangetroffen, een kweekcyclus van tien weken als norm aangehouden. 2.2 Aantal planten De planten die in de kwekerij aangetroffen zijn, worden vernietigd en leveren dus geen voordeel op. Betrokkene zal veelal verklaren, als er al verklaard wordt, dat er bij die eerdere kweken (veel) minder planten stonden dan ten tijde van de inval. Indien betrokkene dit aannemelijk kan maken met bijvoorbeeld een boekhouding, kan deze verklaring gevolgd worden, maar in de praktijk blijft het meestal bij de enkele mededeling. Indien verder geen andere gegevens aanwezig zijn, wordt voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een constant aantal planten, dus dat er bij de vorige kweken net zoveel planten hebben gestaan als bij de doorzoeking werden aangetroffen. Deze aannemelijkheid is mede gebaseerd op het economische principe dat leegstand geld kost of in ieder geval geen geld oplevert. Immers, waarom zou een kweker geld investeren in een kwekerij van een bepaalde omvang ten behoeve van een bepaalde capaciteit aan planten en dan minder planten in die kwekerij zetten? Het risico van ontdekking is net zo groot, alleen de uiteindelijke opbrengst is (veel) kleiner. N.B.: Indien wel aannemelijk is dat er bij eerdere oogsten minder planten gestaan hebben, moeten ook de kosten uiteraard naar rato verminderd worden. Norm aantal planten Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent het aantal planten van eerdere oogsten zijn aangetroffen, er van uitgegaan dat er bij eerdere kweken hetzelfde aantal planten hebben gestaan als ten tijde van de ontmanteling van de kwekerij. 17 2.3 Opbrengst hennep in grammen 2.3.1 Algemeen De berekening van de opbrengst heeft altijd betrekking op voorgaande oogsten. De opbrengst van aangetroffen (en in beslag genomen) planten kan echter wel gebruikt worden om de opbrengst van de eerdere oogsten aannemelijk te maken. Bij het merendeel van de door de politie aangetroffen hennepkwekerijen worden echter geen oogstrijpe planten aangetroffen en kan dus niet worden vastgesteld wat de opbrengst in gewicht van die aangetroffen teelt had kunnen zijn. Indien de betrokkene geen (aannemelijke) verklaring omtrent de opbrengst in gewicht wil afleggen, zal voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve uitgegaan moeten worden van een norm. Tot nu toe wordt ten behoeve van de berekening veelal gebruik gemaakt van de norm van 22 gram per plant, voortkomend uit het door deskundigen van het Gerechtelijk Laboratorium in 1995 opgestelde rapport20. In dat rapport valt uit de onderdelen 5 en 7 op te maken dat ten behoeve van de gemiddelde opbrengstbepaling ook gebruik is gemaakt van opbrengsten van planten die nog niet tot volledige bloei waren gekomen en dat deze planten, indien zij tot het eindstadium zouden zijn doorgekweekt, een (veel) hogere opbrengst zouden hebben opgeleverd. De gemiddelde opbrengst van 22 gram is dus (mede) gebaseerd op planten die nog niet oogstrijp waren. Gezien het feit dat de kweker vaak wel het juiste oogstmoment kan afwachten, en dit economisch gezien ook zal doen, zal de gemiddelde opbrengst per plant dan ook naar verwachting hoger zijn dan de berekende 22 gram. De vraag of een dergelijke norm, een gemiddelde gebaseerd op een grote variatie aan gegevens, gehanteerd mag worden heeft de Hoge Raad in twee recente uitspraken in positieve zin beantwoord. Zo heeft de Hoge Raad in januari 2003 de conclusie van de A-G. gevolgd; de A-G. concludeerde dat indien de werkelijke opbrengst niet meer na te gaan was, het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium een gedegen oplossing biedt voor de schatting van de opbrengst per plant21. 20 H. Huizer en A.I. Poortman – van der Meer, Rapport inzake de opbrengst van hennepplanten bij “binnenkweek”, 16 maart 1995, p.2: “Gemiddelde opbrengst: De tot nu toe door ons gehanteerde opbrengstschatting van 20-30 g, vereenvoudigd tot 25 g, blijkt op grond van de recentelijk ter beschikking gekomen meetgegevens (m.n. van de CRI en het politielaboratorium Amsterdam) iets naar beneden te moeten worden bijgesteld. De “gemiddelde” opbrengst van beide informanten, berekend uit 140 planten, bedroeg 22 g. Vanaf heden zal dit getal door ons als “gemiddelde” opbrengst worden gehanteerd.” 21 Conclusie A-G. in Hoge Raad 28 januari 2003, JOW 2003/11: 7. In de onderhavige zaak kan niet meer worden nagegaan wat de werkelijke opbrengst van de verschillende kwekerijen is geweest. De plantjes zijn vernietigd. Het aantal plantjes is wel bekend. Nu niet meer is na te gaan wat de werkelijke opbrengst is geweest, dient deze te worden geschat. Het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium biedt daarvoor een gedegen oplossing: een gemiddelde opbrengst per plant. Het rapport is gebaseerd op een onderzoek van ontmantelde 18 In januari 2004 volgt de Hoge Raad22 het Hof Den Bosch waar het hof van oordeel is dat ‘in casu als uitgangspunt heeft te gelden, “de gemiddelde opbrengst na oogsten” van de hennepplant (22 gram) en niet “de minimaal te verwachten opbrengst” per plant, nu op geen enkele wijze aannemelijk was gemaakt dat in casu de opbrengst minder dan gemiddeld was’. Uit beide uitspraken valt op te maken dat indien de werkelijke opbrengst niet bekend is en van de zijde van de verdediging niet aannemelijk wordt gemaakt dat de opbrengst minder is geweest (geen enkele raadsman heeft tot nu toe overigens een hogere opbrengst aangevoerd) dan het door het Gerechtelijk Laboratorium vastgestelde gemiddelde, een op een dergelijke wijze vastgestelde norm een goed uitgangspunt biedt voor de schatting van de opbrengst. 2.3.2 Wetenschappelijk onderzoek naar de opbrengst in grammen In het kader van het project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen” hebben twaalf politieregio’s (bijna) oogstrijpe planten verzameld. De planten zijn geselecteerd volgens een vast protocol. Per kweekruimte zijn twaalf willekeurig gekozen planten meegenomen. Op het totale kweekbed is virtueel een X geplaatst. Langs elke as van de X zijn zes planten geselecteerd. Bij het selecteren van de planten zijn niet alleen grote of kleine planten gekozen, maar zijn randplanten uitgesloten. Tevens werd van elke kwekerij een formulier met gegevens ingevuld. De deelnemende regio’s hebben van in totaal 86 kwekerijen planten en aanvullende gegevens aangeleverd. Aan Plant Research International BV, een onderdeel van Wageningen Universiteit, is opdracht verstrekt om op basis van het verzamelde materiaal te bepalen wat de gemiddelde opbrengst per plant in het oogststadium is. De resultaten van dit deskundigenonderzoek zijn als bijlage bij deze rapportage gevoegd. Omdat de kwekerijen niet allemaal ontdekt zijn op het moment dat de planten (bijna) geoogst zouden kunnen worden, werd na ontvangst door Plant Research International BV het ontwikkelingsstadium van de planten bepaald. De ontwikkelingsstadia 1 tot en met 10 zijn door de deskundigen te Wageningen als volgt omschreven: hennepkwekerijen in de periode 1990-1995, waarbij rekening is gehouden met goede (tot 93 gram opbrengst per plant) en minder goede oogsten (nauwelijks opbrengst: 5 gram opbrengst per plant). 8. Door de verdediging is aangevoerd dat verzoeker nooit een opbrengst van 22 gram per plant heeft gehaald. Daarbij heeft de raadsman tevens aangevoerd dat de eerste opbrengsten beroerd waren en dat bij de latere oogsten de gemiddelde opbrengst per plant tussen de 8 en 10 gram was. Deze enkele mededelingen van verzoeker zijn feitelijk niet onderbouwd, zodat zij – in het licht van wat onderzoek naar de gemiddelde opbrengst leert – door het hof mochten worden gepasseerd. 22 HR 20 januari 2004, JOW 2004/9 19 Stadium Beschrijving 1 beginnende bloeiwijze groen 2 kleine bloem groen 3 ontwikkelende bloem groen 4 ontwikkelde bloem groen 5 start indrogen 6 verkleuren haartjes (naar roodbruin) 7 begin harsvorming, plakkerig 8 harsvorming 9 volgroeide bloem 10 volgroeide knop, veel hars, oogststadium Tabel 1: Beschrijving ontwikkelingsstadia Hierna zijn de planten volgens een vast protocol gedroogd, geknipt en gewogen. De na het drogen en knippen verkregen hennep is volgens de deskundigen het product dat normaliter wordt gerookt. Van de op deze wijze verzamelde gegevens van 86 kwekerijen zijn er uiteindelijk 77 in de analyse betrokken. De uitkomsten van zes kwekerijen zijn uitgevallen wegens ontbrekende aanvullende gegevens en drie vanwege fouten tijdens de verwerking. Het rapport omtrent dit deskundigenonderzoek is opgenomen als bijlage. In onderstaande tabel zijn de regio’s aangegeven waarin de 77 kwekerijen aangetroffen zijn. Regio Aantal kwekerijen Drenthe 3 Gelderland-Midden 6 Gooi & Vechtstreek 1 Haaglanden 10 IJsselland 9 Limburg-Noord 10 Midden- en West Brabant 19 Rotterdam-Rijnmond 1 Twente 7 Utrecht 11 Totaal 77 Tabel 2: Aantal kwekerijen met oogstbare planten per politieregio 20 Om op grond van de aangeleverde 77 sets planten te voorspellen wat de opbrengst zou zijn geweest op het moment van oogsten door de kweker, is door de deskundigen op basis van de verzamelde gegevens een opbrengstmodel23 ontwikkeld. Dit opbrengstmodel kent de volgende drie variabelen: • Ontwikkelingsstadium: in het model wordt ten behoeve van de berekening van de opbrengst per plant voor de gemiddelde kwekerij uitgegaan van ontwikkelingsstadium 10, het oogststadium. • Aantal planten per m2 : in het model wordt ten behoeve van de berekening van de opbrengst per plant voor de gemiddelde kwekerij uitgegaan van 15 planten per m2 . Immers uit de verzamelde gegevens blijkt dat de mediaan24 voor het aantal planten per m2 15,37 bedraagt. • Vermogen assimilatiebelichting per m2 : in het model wordt ten behoeve van de berekening van de opbrengst per plant voor de gemiddelde kwekerij uitgegaan van 510 Watt. Immers uit de verzamelde gegevens blijkt dat de mediaan voor het vermogen assimilatiebelichting per m2 510 Watt bedraagt. De conclusie van de deskundigen luidt als volgt: “Uit dit model blijkt dat voor een gemiddelde Nederlandse illegale hennepkwekerij de opbrengst 33,7 gram aan vrouwelijke bloeiwijzen per plant is. Met inachtneming van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 95% ligt de ondergrens op 28,2 gram per plant. Dit betekent dat gesteld kan worden dat een Nederlandse illegale hennepkwekerij met een kans van 95% tenminste een gemiddelde van 28,2 gram aan vrouwelijke bloeiwijzen per plant kan realiseren.” 2.3.3 Norm opbrengst hennep in grammen In bovenstaande paragraaf is aangegeven dat het opbrengstmodel drie variabelen bevat. Aangezien het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend over voorgaande oogsten, ontwikkelingsstadium 10, is de variabele “Ontwikkelingsstadium” in het opbrengstmodel, in het kader van een voordeelsberekening, een constante. De mediaan voor de variabele ‘Vermogen assimilatiebelichting per m2 ’ is 510 Watt. Dit komt overeen met gegevens aangetroffen in adviezen over kweekmethoden en kweekschema’s. Daarin wordt namelijk geadviseerd om één lamp van 400 of 600 Watt boven ongeveer één m2 te hangen25. In een eerdere versie van dit document26 wordt zelfs specifiek geadviseerd om een 400 Watt lamp te hangen boven 0,8 m2 en een 600 Watt lamp boven 1,2 m2 . Gemiddeld 23 Dr. ir. M.A.J. Toonen en Ir. J.T.N.M. Thissen, Opbrengstbepaling van illegale hennepteelt in Nederland, 12 april 2005, p. 8. 24 De mediaan is het midden van een verdeling, dat wil zeggen dat 50% van de gegevens onder de mediaan ligt en 50% er boven. De mediaan wordt minder beïnvloed door een paar extreme waarden in de dataset dan het gemiddelde. 25 Bijvoorbeeld p. 3 en 5 in: Het binnenhuis verbouwen van Marihuana, aangetroffen op www.bazaarroosendaal.nl/html/kweekboek.html, 9 augustus 2004 26 Het binnenshuis verbouwen van hennep, Amsterdam 16 augustus 1993, p. 2 21 is dit 500 Watt per m2 . Ook deze variabele met een mediaan van 510 Watt per m2 kan derhalve voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gezien worden als een constante. Voor de variabele ‘Aantal planten per m2 ’ is in het opbrengstmodel gekozen voor de mediaan van 15 planten per m2 . In de adviezen omtrent kweekmethoden is geen gemiddelde hieromtrent aangetroffen. Uit de jurisprudentie blijkt evenwel dat door de verdediging vaak het argument gebruikt wordt dat meer planten per m2 een lagere opbrengst per plant oplevert. Ook Jansen geeft in zijn stuk over opbrengsten van hennep27 aan dat de opbrengst per plant (onder meer) afhankelijk is van het aantal planten per m2 . Hij stelt hierin dat uit zijn ‘veldwerk’ bij enkele tientallen marihuanakwekers in binnen- en buitenland blijkt dat bij intensieve binnenteelt optimalisering van de opbrengst per m2 het belangrijkste criterium voor de kweker is. Per m2 worden volgens hem vaak zo’n dertig stekken geplant. Met minder planten per m2 kan, volgens hem, wel een hogere opbrengst per plant worden bereikt. Nu vooral de variabele ‘Aantal planten per m2 ’ van belang lijkt te zijn voor de opbrengst per plant, is aan de deskundigen te Wageningen gevraagd wat, gegeven het opbrengstmodel, de gemiddelde voorspelde opbrengst per plant is uitgaande van 1 tot en met 40 planten per m2 en een gelijkblijvende assimilatiebelichting van 510 Watt. Tevens is gevraagd wat de voorspelde opbrengst is met een eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval. De tabel met deze gegevens is bij de rapportage van de deskundigen gevoegd als bijlage 4. De uitkomsten zijn als volgt: Planten per m2 Opbrengst per plant eenzijdig 95% Planten per m2 Opbrengst per plant eenzijdig 95% Planten per m2 Opbrengst per plant eenzijdig 95% 1 40,4 34,3 15 33,7 28,2 29 26,9 20,8 2 39,9 33,9 16 33,2 27,7 30 26,4 20,2 3 39,4 33,5 17 32,7 27,2 31 26,0 19,6 4 39,0 33,1 18 32,2 26,7 32 25,5 19,0 5 38,5 32,7 19 31,7 26,2 33 25,0 18,4 6 38,0 32,2 20 31,3 25,7 34 24,5 17,9 7 37,5 31,8 21 30,8 25,1 35 24,0 17,3 8 37,0 31,4 22 30,3 24,6 36 23,5 16,7 9 36,6 30,9 23 29,8 24,1 37 23,1 16,1 10 36,1 30,5 24 29,3 23,5 38 22,6 15,5 11 35,6 30,0 25 28,8 23,0 39 22,1 14,9 12 35,1 29,6 26 28,4 22,4 40 21,6 14,2 13 34,6 29,1 27 27,9 21,9 14 34,1 28,6 28 27,4 21,3 Tabel 3:Voorspelling opbrengst per plant in grammen voor het verschillende aantal planten per m2 met een eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval. 27 Dr. A.C.M. Jansen, Universiteit van Amsterdam, Marihuana-opbrengsten, 5 november 1999 22 N.B.: Uit bovenstaande tabel blijkt dat de voorspelde opbrengst per plant met eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval telkens lager ligt dan de voorspelde opbrengst per plant. Het verschil varieert van 5,5 gram bij onder meer 15 planten per m2 (33,7 gram -/- 28,2 gram) tot 7,4 gram bij 40 planten per m2 (21,6 gram -/- 14,2 gram). In het opbrengstmodel wordt de variabele ‘Vermogen assimilatiebelichting per m2 ’ vermenigvuldigd met de factor 0,01242. Dit houdt in dat een afwijking van 100 Watt ten opzichte van de mediaan van 510 Watt een verschil van 1,24 gram (100 * 0,01242) opbrengst per plant geeft. In het zeldzaam voorkomende geval dat slechts 100 Watt assimilatiebelichting per m2 gebruikt is, geeft dit een voorspelde opbrengst van 5,09 gram (410 * 0,01242) per plant minder. Deze vermindering is nog steeds kleiner dan de minimale vermindering in de voorspelde opbrengst bij de keuze voor de lagere voorspelde opbrengst met een eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval (5,5 gram). Door nu te kiezen voor de (lagere) opbrengst met de eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval, wordt bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve voldoende rekening gehouden met eventuele lagere opbrengsten als gevolg van minder assimilatiebelichting. Norm opbrengst hennep in grammen Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de opbrengst per plant gekozen voor de opbrengst per plant met een eenzijdig 95% betrouwbaarheidsinterval met als variabele het aantal planten per m2 , zoals opgenomen in bovenstaande tabel. Indien het aantal planten per m2 niet bekend is, zal uitgegaan worden van 15 planten per m2 , de mediaan uit het verrichte onderzoek, en de daarbij behorende opbrengst van 28,2 gram per plant. 23 2.4 Opbrengst hennep in geld Betrokkenen leggen meestal geen (aannemelijke) verklaring af over de opbrengst van hun hennepkwekerij. Er zal dan ook vaak uitgegaan moeten worden van een norm. De Centrale Recherche Informatiedienst28 heeft in 1995 een rapport uitgebracht29 waarin in onderdeel 1E de groothandelsprijs gesteld wordt op tussen de NLG 5.000,- en NLG 8.000,-, per kilo, afhankelijk van de kwaliteit van de hennep. Het genoemde bedrag van NLG 5.000,- per kilo (€ 2.268,90, veelal afgerond op € 2.270,-) is tot op heden de gebruikte norm indien de werkelijke opbrengst in de betreffende zaak niet bekend is. Gedurende een aantal jaren heeft Europol de prijzen van verdovende middelen in Europa bijgehouden. De groothandelsprijs per kilo hennep in Nederland bedraagt in het voorjaar van 1998 tussen de NLG 4.000,- en NLG 8.000,-30 (€ 1.815,12 en € 3.630,24) en in het najaar van 1998 tot en met voorjaar 1999 tussen de NLG 5.000,- en NLG 6.000,-31 (€ 2.268,90 en € 2.722,68). In 2003 is door de dienst Nationale Recherche Informatie (NRI) van het Korps Landelijke Politiediensten wederom een onderzoek gedaan naar prijzen van verdovende middelen in Nederland. Aan de hand van 32 meldingen uit diverse politieregio’s bleek dat de groothandelsprijs van hennep in Nederland over dat jaar gemiddeld € 2.332,- per kilo was. De prijzen varieerden van € 1.500,- tot € 3.500,- per kilo. Uit de diverse politieregio’s is de volgende informatie ontvangen: • in het project “Haagsche Gladiolen” in de regio Haaglanden hebben acht hennepkwekers verklaard over de door hen ontvangen verkoopprijs. De gemiddelde verkoopprijs per kilo op basis van deze verklaringen bedraagt € 2.019,- (met een minimum van € 1.500,- en maximum van € 2.500,- per kilo); • uit de regio Noord Holland Noord zijn op basis van dertien verklaringen afgelegd in 2003 en 2004 prijzen ontvangen variërend van € 1.000,- tot € 3.180,- per kilo. De gemiddelde verkoopprijs op basis van deze gegevens bedraagt € 2.248,- per kilo. • in de regio Utrecht is in een onderzoek in 2004 aan de hand van tapgesprekken vastgesteld dat er door betrokkenen in totaal tien partijen hennep bij de hennepkweker zijn ingekocht. De inkoopprijzen variëren van € 2.178,- tot en met € 3.000,- per kilo. De gemiddelde inkoopprijs bedraagt op basis van deze gegevens € 2.567,- per kilo. 28 De Centrale Recherche Informatiedienst is thans genaamd Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps Landelijke politiediensten. 29 L.D.Weeda, Divisie Centrale Recherche Informatie, 23 augustus 1995 30 Prices of Drugs in the European Union 1998, file No: 2521-29r1, Europol, May 1998 31 Prices of Drugs in the European Union 1998, file No: 2521-30, Europol, December 1998 en Prices of Drugs in the European Union 1999, file No: 2521-31r1, Europol, July 1999 24 • uit de regio Gelderland Zuid zijn op basis van verklaringen vijf prijzen ontvangen uit 2002 en twee uit 1999. De prijzen variëren van € 1.815,- tot € 2.950,- per kilo. De gemiddelde verkoopprijs op basis van deze gegevens bedraagt € 2.460,- per kilo. • in de regio Friesland zijn in één zaak uit 2001 door zowel de afnemers als de kweker verklaringen afgelegd. Hieruit zijn zes prijzen naar voren gekomen die variëren van € 2.178,- tot € 3.176,- per kilo. De gemiddelde verkoopprijs op basis van deze gegevens bedraagt € 2.666,- per kilo. • in de regio Brabant Zuid-Oost zijn in een onderzoek in september 2004 in tapgesprekken vier prijzen naar voren gekomen variërend van € 2.700,- tot € 2,900,- per kilo. De gemiddelde verkoopprijs op basis van deze gegevens bedraagt € 2.787,50 per kilo. Om te komen tot een gemiddelde verkoopprijs ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is zowel een gemiddelde berekend aan de hand van de ontvangen gegevens uit de diverse politieregio’s (1), als een gemiddelde aan de hand van de gegevens van de NRI gecombineerd met de gegevens uit de diverse politieregio’s (2): 1. In totaal zijn uit de politieregio’s 48 prijzen ontvangen die variëren van € 1.000,- tot € 3.180,- per kilo. De gemiddelde prijs per kilo op basis van deze gegevens bedraagt € 2.396,-. 2. In totaal zijn van de NRI en de politieregio’s 80 prijzen ontvangen die variëren van € 1.000,- tot € 3.500,-. De gemiddelde prijs per kilo op basis van deze gegevens bedraagt € 2.370,-. Dat deze gemiddelde prijzen niet te hoog zijn, kan blijken uit de (beperkte hoeveelheid) gegevens die op internet met betrekking tot de verkoopprijzen van hennep zijn aangetroffen. In totaal zijn in een chatbox negen prijzen aangetroffen waarvoor hennep verkocht werd. De prijzen variëren van € 2.200,- tot € 4.000,- per kilo. De gemiddelde verkoopprijs op basis van deze gegevens bedraagt € 2.977,- per kilo. Daarnaast is in de politieregio Utrecht de boekhouding van een coffeeshop in beslag genomen. Hierin zijn van negen maanden in 2000 de inkoopprijzen aangetroffen. In deze inkoopgegevens zijn in totaal 156 ingekochte partijen hennep vastgesteld met inkoopprijzen die variëren van € 2,27 (NLG 5,-) tot € 3,40 (NLG 7,50) per gram. De gemiddelde inkoopprijs bedraagt € 2,85 (NLG 6,29) per gram. In totaal is in deze negen maanden met deze 156 partijen door de coffeeshop 120,41 kilo hennep aangeschaft. Rekening houdend met de omvang van de ingekochte partijen bedraagt de gemiddelde inkoopprijs € 2.880,- per kilo. Norm opbrengst in geld Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent de opbrengsten per kilo zijn aangetroffen, een verkoopprijs van € 2.370,- per kilo hennep als norm aangehouden. 25 3. Kosten Na een algemene inleiding omtrent de aftrek van kosten bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, wordt achtereenvolgens ingegaan op de afschrijvingskosten (3.2) en de variabele kosten (3.3). In paragraaf 3.4 komen de kosten aan de orde waarvan op voorhand niet meteen duidelijk is dat deze ook zijn gemaakt door betrokkene. 3.1 Algemeen In het kader van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen niet alle gemaakte kosten in mindering gebracht worden op de opbrengst. De Hoge Raad heeft namelijk het volgende bepaald: • “dat alleen kosten aftrekbaar zijn welke de verdachte niet gemaakt zou hebben als hij de strafbare feiten niet gepleegd zou hebben”32 en • “dat alleen kosten voor aftrek in aanmerking kunnen komen, die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict”33. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel houdt dit in dat alleen de voor het gepleegde feit extra gemaakte kosten in mindering gebracht kunnen worden, ofwel alleen kosten die niet gemaakt zouden zijn als de illegale activiteiten niet waren gepleegd. Verder blijkt uit de genoemde jurisprudentie dat alleen kosten met betrekking tot feiten die tot opbrengst hebben geleid aftrekbaar zijn. De kosten behoren dan ook per delict te worden berekend, zodat kosten die niet volledig gedekt worden door de opbrengsten van een delict niet verrekend worden met opbrengsten uit andere delicten. Ook met betrekking tot de kosten van de in beslag genomen partij, bijvoorbeeld de bij de huiszoeking in beslag genomen planten, zijn duidelijke uitspraken gedaan: • Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof slechts een kwart van de investeringskosten in mindering gebracht nu slechts één van de vier kweken succesvol geoogst was. Volgens de Hoge Raad is dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.34. • De A-G. concludeert dat kosten voor aftrek in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Daaronder vallen niet de kosten die zijn gemaakt met betrekking tot feiten waarvoor (nog) geen wederrechtelijk verkregen voordeel is gerealiseerd. Dat laatste is in de onderhavige zaak het geval met de hennepplanten die door de politie in beslag zijn genomen. De Hoge Raad overweegt dat het middel niet tot cassatie kan leiden.35 32 HR 8 juli 1992, JOW 1996/50 33 HR 8 juli 1998, JOW 1998/54; HR 30 oktober 2001, JOW 2002/1 34 HR 19 mei 1998, JOW 1998/50 35 HR 3 oktober 2000, JOW 2000/38 26 • Onder direct gerelateerde, aftrekbare kosten vallen niet de gemaakte kosten met betrekking tot de door de politie in beslag genomen hennepplanten. Deze kosten zijn namelijk gemaakt met betrekking tot een feit terzake waarvan geen wederechtelijk voordeel is genoten36. • Voor aftrek kunnen alleen kosten in aanmerking komen die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Daartoe behoren wel (bijvoorbeeld) inkoopkosten voor zover zij hebben gediend tot het verkrijgen van voordeel, maar niet de kosten die werden gemaakt ten behoeve van een oogst die later zou mislukken37. Dat de door betrokkene opgevoerde kosten, zonodig met bewijsstukken onderbouwd, aannemelijk gemaakt moeten worden, blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad in 2003. De A-G. concludeert dat in het kader van de redelijke bewijslastverdeling niet klakkeloos aanvaard moet worden wat betrokkene ongemotiveerd als kosten opvoert38. In een uitspraak in 2004 concludeert de A-G. dat het feit dat betrokkene veelal niet in staat zal zijn om de hogere kosten met bewijsstukken aannemelijk te maken, omdat het niet gebruikelijk is in criminele kringen om de handel en wandel nauwkeurig te documenteren met het oog op een latere financiële verantwoording, het risico van betrokkene is en niet aan het Openbaar Ministerie kan worden tegengeworpen39. 36 Hof Den Bosch 5 oktober 2001, JOW 2002/5 37 Hof Leeuwarden 19 december 2000, JOW 2004/19 38 HR 15 april 2003, JOW 2004/25: De veroordeelde heeft de volgens hem gemaakte kosten van zijn hennepplantage op geen enkele wijze ter zitting van het hof of elders aannemelijk gemaakt zodat enige controle op deze kostenpost volstrekt niet mogelijk is. Het hof acht de opgave van kosten excessief in het licht van soortgelijke zaken die door het hof worden berecht. Het hof houdt rekening met een bedrag dat in redelijkheid bepaald wordt op 1/5 deel. De A-G. acht deze beslissing niet onbegrijpelijk: “Indien een veroordeelde er niet in slaagt de investeringen die hij zegt te hebben gedaan te specificeren en te onderbouwen ligt het voor de hand dat de rechter de vrijheid neemt de in aftrek te brengen kosten naar redelijkheid te bepalen. Ik merk hier terzijde op dat de enkele bewering van een veroordeelde dat hij voor een bepaald bedrag heeft geïnvesteerd bij gebreke van nota’s en bankafschriften of ander bewijsmateriaal onvoldoende is om de rechter aan het gepresenteerde kostenplaatje te binden. Ware dat wel zo dan zou iedere veroordeelde aangemoedigd worden zijn kostenposten hoog op te schroeven zonder daarvoor enige ondersteuning aan te voeren. Dat de kostenaftrek niet te benepen moet worden opgezet wil niet zeggen dat klakkeloos aanvaard moet worden wat veroordeelde ongemotiveerd aan kosten opvoert. Dat zou op gespannen voet staan met het systeem dat aan de wetgever voor ogen stond. In wezen gaat het systeem van de wetgever immers uit van een ‘redelijke bewijslastverdeling’. Daarmee strookt niet de eis dat de rechter de vaststelling van de aftrekbare kosten moet beleggen met bewijsmiddelen zodra hij minder in aftrek brengt dan de veroordeelde heeft opgevoerd, terwijl de veroordeelde ongemotiveerd, oncontroleerbaar en niet onderbouwd aftrekbare kosten als uitgangspunt kan stellen.” De HR verwerpt het beroep. 39 HR 29 juni 2004, JOW 2005/23: Conclusie A-G.: “Een ander risico voor de gepakte verdachte is dat hij dan niet in staat zal zijn tegenover de stellingen van het OM de zijne ingang te doen vinden, omdat het niet gebruikelijk is in deze kringen om handel en wandel nauwkeurig te documenteren met het oog op een latere financiële verantwoording. Dat de opbouw van zo een verantwoording in deze kringen niet gebruikelijk is en dat verdachte als verkerend in dergelijke kringen evenmin rekenschap kan afleggen van zijn criminele financiële reilen en zeilen en niet verder komt dan het debiteren van ongestaafde en vage beweringen en veronderstellingen kan niet aan het OM worden tegengeworpen.” 27 3.2 Investeringen De investeringen door betrokkene in duurzame productiemiddelen nemen in de kostenaftrek een bijzondere plaats in. In het kader van een hennepkwekerij moet hierbij gedacht worden aan bijvoorbeeld lampen, kweekbakken en/of –tafels, potten, ventilatoren, afzuiginstallaties, bewateringssystemen, al naar gelang de omvang en professionaliteit van de kwekerij. Bij de aanschaf van die duurzame productiemiddelen is sprake van een transformatie van geld naar goederen. Door deze aanschaf verandert derhalve de totale waarde van het vermogen niet. Door het gebruik van een duurzaam productiemiddel neemt de waarde van dat goed, en hierdoor het totale vermogen, echter af. Deze waardevermindering kan als afschrijvingskosten in mindering gebracht worden. Op deze manier vindt toerekening plaats van de waardevermindering van de duurzame activa aan de activiteiten die reeds hebben plaatsgevonden en tot opbrengsten hebben geleid, zijnde de succesvolle oogsten. Als gevolg van deze toerekening ontstaat dan de noodzakelijke directe relatie tussen de afschrijvingskosten en de voltooiing van de strafbare feiten. Dat ook de Hoge Raad deze mening toegedaan is, blijkt uit een arrest uit 199840. Het resterende deel van de investeringen dat niet via afschrijvingskosten voor aftrek in aanmerking komt, behoort tot het “bedrijfsrisico” van betrokkene. Immers door dergelijke duurzame activa aan te schaffen neemt betrokkene bewust het risico van strafrechtelijk ingrijpen en daarop volgend verbeurdverklaring/onttrekking aan het verkeer. Een dergelijk risico is niet te beschouwen als kosten in relatie tot het strafbare feit, aldus Hof Den Bosch in 200141. Deze gedachte van het hof is analoog aan de stelling van de Hoge Raad42, weliswaar in het kader van de aanschaf van een partij verdovende middelen, dat degene die ervoor kiest dergelijke middelen aan te kopen het risico neemt van beslag. In 2004 heeft een raadsman in cassatie gesteld (zakelijk weergegeven) dat nu alle in beslag genomen apparatuur is vernietigd, er geen sprake meer kan zijn van een restwaarde en dat de aanschafkosten dus in zijn geheel in mindering op het voordeel mogen worden gebracht, nu er nadien geen inkomsten of ander voordeel kon worden genoten. De A-G heeft hieromtrent geconcludeerd dat deze klacht niet kan slagen en dat de omstandigheid dat de veroordeelde de investering niet geheel heeft kunnen terugverdienen niet betekent dat de gehele investeringskosten in directe relatie staan tot de ene kweek waar het hof vanuit is gegaan. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen43. 40 HR 19 mei 1998, JOW 1998/50: Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof slechts een kwart van de investeringskosten in mindering gebracht nu slechts één van de vier kweken succesvol geoogst was. Volgens de Hoge Raad is dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Blijkbaar is de Hoge Raad van mening dat kosten van investeringen, zijnde de afschrijvingen, slechts tot aftrek leiden indien ze ook tot een opbrengst hebben geleid. 41 Hof Den Bosch 5 oktober 2001, JOW 2002/5 42 HR 8 juli 1998, JOW 1998/54 43 HR 24 augustus 2004, JOW 2005/25 28 Randvoorwaarden/aandachtspunten Wanneer afschrijvingskosten in aftrek gebracht worden, is wel van belang dat aan de volgende randvoorwaarden is voldaan. • Ten eerste dienen de investeringen in de kweekinstallatie in overeenstemming met de mogelijke productieomvang te zijn én feitelijk betaald te zijn door degene van wie het voordeel wordt berekend. Als dit laatste namelijk niet het geval is, kan ook geen sprake zijn van de aftrek van kosten. • Ten tweede dient de kweekinstallatie enkel voor de illegale activiteiten (de kweek van hennep) gebruikt te worden. Wanneer er sprake is van een combinatie van illegale en legale activiteiten (denk bijvoorbeeld aan een tuinder die leegstand in zijn (legale) kassen benut voor hennepkweek), dient de aftrek van kosten beperkt te worden tot de extra kosten die noodzakelijk zijn voor het daadwerkelijke gebruik van de activa ten behoeve van het strafbare feit. Vaste kosten, waaronder begrepen de reguliere afschrijving op de activa, blijven in dergelijke gevallen buiten beschouwing. Deze worden geacht te zijn gemaakt voor de verwerving van de legale opbrengsten en zouden dus ook gemaakt zijn zonder de illegale activiteiten. Met andere woorden, deze kosten waren voor de betrokkene noodzakelijk om de legale bedrijfsactiviteiten te kunnen uitvoeren, onafhankelijk van het eventuele plegen van strafbare feiten. • Als laatste moet ook de regel “geen voordeel, dan ook geen kosten” niet uit het oog verloren worden. Indien bijvoorbeeld investeringskosten toegerekend kunnen worden aan een periode waarin een of meer oogsten mislukt zijn, mogen deze kosten niet op het totale berekende wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht worden omdat er ook geen voordeel tegenover staat. 29 3.2.1 Omvang investeringen Om een indruk te krijgen van de investeringen hieronder een op het internet aangetroffen gedetailleerd voorbeeld van investeringen die een startende kweker voor 1 m2 met maximaal 25 planten zou kunnen doen44 : Benodigdheden Prijs in € Groeilamp, 400 Watt 79,00 Tijdschakelaar voor de groeilamp 12,95 Koolstoffilter met ventilator voor de luchtafvoer 110,00 Koolstofmat met voorfilterdoel voor de luchttoevoer, 1 m2 40,90 Zwart-wit folie op de wanden, 5 meter 5,75 Thermostaat voor de luchtafvoer 29,00 Thermo / Hygrometer (Digitaal) 25,00 Aluflex luchtafvoerbuis, ongeveer 5 meter 12,50 Slangklem voor de luchtafvoerbuis 1,50 Zwenkventilator, doorsnede 23 cm 17,95 Overige materialen voor kast. Ongeveer 50,00 Totaal investeringen € 384,55 Tabel 4: Voorbeeld totale investeringskosten 1 m2 Natuurlijk is dit maar één voorbeeld en zal de prijs wijzigen aan de hand van de omvang van de kwekerij en de leverancier van de goederen. In het onderzoek “Haagsche Gladiolen” heeft men van de honderd onderzochte hennepkwekerijen de aangetroffen duurzame productiemiddelen op een rijtje gezet. Ten behoeve van een norm voor de investeringen is aan de hand van deze gegevens de op papier meest optimale hennepkwekerij samengesteld. In deze optimale kwekerij zijn alle in de praktijk voorkomende apparaten opgenomen. Zo is men er bijvoorbeeld van uitgegaan dat in elke kwekerij verwarming geplaatst is, terwijl uit de gegevens verzameld ten behoeve van het project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen” blijkt dat in 44 van de 86 aangetroffen kwekerijen geen verwarming aanwezig was. Van de voor deze optimale kwekerij benodigde duurzame productiemiddelen heeft men de prijs bepaald aan de hand van prijslijsten van vier verschillende growshops. Uiteindelijk heeft men de prijslijst met gemiddeld de hoogste prijzen gebruikt om te komen tot een totaal bedrag aan investeringen. Tevens is geen rekening gehouden met het feit dat illegale kwekers ook veelvuldig goedkopere tweedehands apparatuur aanschaffen. Bij de bepaling van deze investeringen speelt natuurlijk de omvang van de kwekerij een grote rol. 44 www.growshop-headshop-dekweekplaneet.nl/main.htm (8 maart 2002) 30 De op deze wijze bepaalde investeringen zijn vergeleken met verklaringen omtrent investeringen van zeventien verschillende betrokkenen uit het onderzoek. Hieruit bleek dat in twaalf gevallen het investeringsbedrag, bepaald via de tabel, hoger was dan het door betrokkene opgegeven investeringsbedrag. Daar echter in vijf gevallen het door betrokkene opgegeven investeringsbedrag hoger lag dan hetgeen uit de berekeningen volgde, heeft men de bedragen in de tabel zodanig verhoogd dat nog slechts één van de door betrokkenen genoemde investeringsbedragen hoger was. Uiteindelijk heeft men onderstaande tabel opgesteld met daarin de hoogte van de investering afhankelijk van het aantal planten: Aantal planten minimaal Aantal planten maximaal Investering per hennepkwekerij in € 0 < 200 3.000,- 200 < 300 4.000,- 300 < 400 5.000,- 400 < 500 6.000,- 500 < 600 7.000,- 600 < 700 8.000,- 700 < 800 9.000,- 800 < 900 10.000,- 900 < 1.000 10.000,- Tabel 5: Totale investeringskosten t.o.v. aantal planten Indien in meerdere ruimten gekweekt wordt, moet de investering per ruimte aan de hand van het in die ruimte aanwezige aantal planten vastgesteld worden. Inmiddels heeft de politie in de regio Utrecht de in het onderzoek “Haagsche Gladiolen” gepresenteerde tabel in een drietal zaken vergeleken met verklaringen van betrokkenen. De drie kwekerijen hadden respectievelijk een omvang van 83, 320 en 535 planten. Bij alle drie de kwekerijen was het door betrokkene aangegeven investeringsbedrag lager dan het in de tabel opgenomen investeringsbedrag. Gezien het bovenstaande lijkt de in het project “Haagsche Gladiolen” opgestelde tabel van investeringsbedragen voor kwekerijen met een omvang van 0 tot 1.000 planten dan ook een goed uitgangspunt voor het berekenen van de afschrijvingskosten en zal deze gebruikt worden voor de standaardberekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkweek. Gezien het feit dat van de 179 kwekerijen in de projecten “Haagsche Gladiolen” en “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen” slechts in totaal 18 kwekerijen meer dan duizend planten bevatten, is 31 deze tabel niet verder uitgebreid. Bij kwekerijen met méér dan 1.000 planten kan aan de hand van de aangetroffen apparatuur zelfstandig een berekening gemaakt worden. Daarnaast kunnen de in de tabel genoemde investeringen bij elkaar opgeteld worden totdat het in die ruimte aanwezige aantal planten bereikt is. Gezien het feit dat uit de tabel blijkt dat de kosten per plant verhoudingsgewijs afnemen als er meer planten in een ruimte staan, zal deze benadering vermoedelijk leiden tot een te hoge kostenaftrek. Daar dit in het voordeel van betrokkene is, kan dit worden geaccepteerd. 3.2.2 Afschrijvingskosten Omtrent de afschrijvingstermijn van de investeringen bestaat in de jurisprudentie weinig eenduidigheid. Zo vindt de Rechtbank Middelburg45 en het Hof Den Bosch46 dat de investeringen in een hennepkwekerij in vier jaar moeten worden afgeschreven, terwijl het Hof Leeuwarden47 een afschrijvingstermijn van 5 jaar hanteert. In het in § 3.2 genoemde arrest48, waarbij de raadsman de gehele aanschafkosten in mindering wilde brengen, ging het Hof Den Bosch uit van een afschrijvingstermijn van drie jaar. Om meer duidelijkheid te krijgen omtrent de levensduur van de bij hennepkweek gebruikte apparatuur is aansluiting gezocht bij de landbouwnormen die de Belastingdienst gebruikt. Sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw worden deze normen jaarlijks vastgesteld in overleg met de Vereniging van Accountants- en Belastingadviseurs VLB, Land- en Tuinbouworganisatie (LTO), Tuinbouw Accountant Administratiekantoren (TAAK) en de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur (KAVB) en gepubliceerd in de publicatie “Landelijke Landbouwnormen”. De normen die in deze publicatie worden genoemd gelden voor de gehele Belastingdienst en gelden dan ook voor alle belastingplichtige ondernemingen in de agrarische sector49. Paragraaf 5.1.3 van bovengenoemde publicatie gaat in op de afschrijvingstermijnen voor de gebruikte bedrijfsmiddelen in de glastuinbouw. Voor de hennepkweek zijn de volgende afschrijvingstermijnen van belang50: 45 Rechtbank Middelburg 11 augustus 1999, JOW 1999/59 46 Hof Den Bosch 26 januari 2001, JOW 2005/30 47 Hof Leeuwarden 19 december 2000, JOW 2004/19 48 HR 24 augustus 2004, JOW 2005/25 49 Landelijke landbouwnormen 2003, 1 januari 2004 p. 3 en 5 50 Landelijke landbouwnormen 2003, 1 januari 2004, p. 25 en 26 32 Soort apparatuur Afschrijvingstermijn CO2 apparatuur 7 jaar stoomapparatuur inclusief afzuigsysteem, grondverwarming, bedverwarming en koeling 11 jaar substraatinstallatie 4 jaar bron inclusief pomp, leidingen en overige watervoorzieningen/waterbehandeling 7 jaar vaste tafels, roltafels, rolcontainers 11 jaar klimaatcomputers 7 jaar assimilatie-installaties (hieronder wordt verstaan de lamp armatuur) 7 jaar lampen (hieronder wordt verstaan het “peertje”) 3 jaar Tabel 6: Afschrijvingstermijnen bedrijfsmiddelen glastuinbouw Paragraaf 5.2.3 gaat in op de afschrijvingstermijn voor de gebruikte bedrijfsmiddelen bij champignonteelt. Voor de hennepkweek zijn met name de onderstaande afschrijvingstermijnen voor klimaatinstallaties van belang51: Soort apparatuur Afschrijvingstermijn klimaatcomputer 5 jaar regelpaneel 8 jaar CO2 concentratiemeter 8 jaar bevochtigingsregeling 10 jaar ventilatiesystemen 8 jaar Tabel 7: Afschrijvingstermijnen klimaatinstallaties Uit de publicaties over de jaren 200152 en 200253 blijkt dat de hierboven opgenomen afschrijvingsperioden ook in die jaren worden gehanteerd, dit met uitzondering van de ontbrekende afschrijvingsperioden bij champignonteelt in 2001. Op grond van de door de Belastingdienst, ondernemersorganisaties en accountants/belastingadviseurs vastgestelde afschrijvingsperioden is een algemene afschrijvingsperiode van vier jaar voor alle apparatuur aannemelijk. De lagere vastgestelde afschrijvingsperiode op lampen (het “peertje”) wordt meer dan gecompenseerd door de (veel) hogere vastgestelde afschrijvingsperioden op alle andere gebruikte apparatuur. Bij een algemene afschrijvingstermijn van vier jaar wordt tevens voldoende rekening gehouden met 51 Landelijke landbouwnormen 2003, 1 januari 2004, p. 28 52 Landelijke landbouwnormen 2001, 1 januari 2002, p. 27 en 28 53 Landelijke landbouwnormen 2002, 1 januari 2003, p. 25 en 26 33 mogelijk minder onderhoud en intensiever gebruik van de apparatuur bij illegale hennepkweek. Norm afschrijvingskosten per oogst Gezien bovenstaande zal ten behoeve van de standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel een voor alle investeringen geldende afschrijvingstermijn van vier jaar aangehouden worden. Bij vijf oogsten per jaar (zie § 2.1.2) bedragen de afschrijvingskosten per oogst, indien geen concrete aanwijzingen omtrent investeringen zijn aangetroffen, afhankelijk van het aantal planten: Aantal planten minimaal Investering per hennepkwekerij in € Afschrijvingskosten per jaar in € Afschrijvingskosten per oogst in € 0 - 199 3.000,- 750,- 150,- 200 - 299 4.000,- 1.000,- 200,- 300 - 399 5.000,- 1.250,- 250,- 400 - 499 6.000,- 1.500,- 300,- 500 - 599 7.000,- 1.750,- 350,- 600 - 699 8.000,- 2.000,- 400,- 700 - 799 9.000,- 2.250,- 450,- 800 - 899 10.000,- 2.500,- 500,- 900 - 1000 10.000,- 2.500,- 500,- Tabel 8: Totale afschrijvingskosten per oogst 34 3.3 Variabele kosten In deze paragraaf komen de kosten aan de orde die noodzakelijkerwijs per plant gemaakt moeten worden, zoals de aanschaf van stekken en het verbruik van water, kweekmedium en voedingsstoffen. 3.3.1 Stekken Zoals reeds eerder aangegeven wordt uitgegaan van kweek vanaf hennepstekken, de meest gebruikte methode bij binnenteelt onder assimilatielampen. De stekken worden veelal ingekocht bij derden. Gezien het feit dat deze kosten in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict mogen de aan die derde betaalde bedragen in mindering gebracht worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Uiteraard kunnen alleen de kosten voor de aanschaf van stekken voor de geslaagde oogsten in mindering worden gebracht en niet de kosten voor de aanschaf van stekken van de in beslag genomen planten. Uit zes politieregio’s zijn in totaal 45 gegevens ontvangen met betrekking tot de kostprijs van hennepstekken. Vier hiervan betreffen verkoopprijzen van Growshops (variërend van € 1,25 tot € 2,27), terwijl alle overige prijzen gebaseerd zijn op verklaringen van betrokkenen (variërend van € 0,80 tot € 4,-). De gemiddelde verkoopprijs is € 1,93. De gegevens zijn afkomstig uit de jaren 1999 tot en met 2004. Indien de selectie beperkt wordt tot de gegevens uit 2002 tot en met 2004 (39 gegevens) stijgt de gemiddelde verkoopprijs licht tot € 1,94. 3.3.2 Kweekmedium Hennep kan geteeld worden op verschillende ondergronden, het kweekmedium. Onderstaand wordt ingegaan op de kosten per plant van de verschillende kweekmediums. De prijzen zijn afkomstig van op internet aangetroffen prijslijsten van growshops. Indien in de prijslijsten alleen kosten per m2 gevonden zijn, zal ter bepaling van de kosten per plant uitgegaan worden van het door de deskundigen te Wageningen vastgestelde mediaan van 15 planten per m2 (zie paragraaf 2.3.2). Potgrond De stekjes worden veelal geplant in potgrond. Na iedere oogst is nieuwe potgrond nodig voor de volgende plantperiode. Uit de aangetroffen kweekinformatie en de prijslijsten blijkt dat de stekken, afhankelijk van het aantal planten per m2 , geplant kunnen worden in potten van 4 tot 11 liter. In de kweekinformatie worden veelal potten van 7 liter geadviseerd. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal uitgegaan worden van één plant in een pot van 7 liter. In het onderzoek “Haagsche Gladiolen” blijkt uit onderzoek bij een tuincentrum en uit prijslijsten op internet dat een zak potgrond van 20 liter € 2,50 kost. Dit is de hoogste prijs 35 van potgrond die is aangetroffen tijdens het onderzoek. Bij gebruik van potgrond zijn de kosten dan € 0,88 per plant (€ 2,50 / 20 * 7). Steenwol Een ander veel gebruikt kweekmedium is steenwol. De stekken worden geplaatst in zogenaamde startblokken van steenwol. Elke stek wordt geplaatst in één startblok. Als de stekken na circa twee dagen geworteld zijn in de startblokken, worden ze uitgezet op matten of slabs van steenwol. Na iedere oogst moeten zowel de startblokken als de matten vervangen worden. De startblokken kosten tussen de € 0,20 en € 0,25 per stuk kosten en 1m2 steenwolmat kost ongeveer € 14,-. Bij 15 planten per m2 zijn de kosten bij gebruik van steenwol afgerond € 1,18 per plant (€ 0,25 + (€ 14,-/15)). Mapito Mapito is een relatief nieuw kweekmedium. Het is een mengsel van steenwol- en PUvlokken. Mapito moet verzadigd worden met water, waarbij elke liter mapito circa 0,5 liter water opneemt. Een zak mapito van 80 liter kost € 18,50. Ten behoeve van de kweek van hennep is volgens een op internet aangetroffen document per m2 65 liter mapito nodig54, zodat 1 m2 € 15,- kost (65/80 * € 18,50). Bij 15 planten per m2 zijn de kosten bij gebruik van mapito dan € 1,- per plant (€ 15,-/15). Hydrokorrels Hydrokorrels (kleikorrels) kunnen gebruikt worden in potten waarin één plant staat of in bakken waarin meerdere planten staan. Een zak van 50 liter kost € 10,25. Uitgaande van een hoeveelheid van 65 liter per m2 (zelfde hoeveelheid als bij mapito) kost 1 m2 € 13,33 (65/50 * € 10,25). Bij 15 planten per m2 zijn de kosten van het gebruik van hydrokorrels dan € 0,89 per plant (€ 13,33/15). Hydrokorrels kunnen hergebruikt worden, waardoor de kosten per plant dalen. Cocos Cocos wordt los verkocht of in slabs geperst, zodat het in potten of in bakken te gebruiken is. Één m2 geperste cocosmat kost ongeveer € 17,50. Bij 15 planten per m2 zijn de kosten bij gebruik van cocosslabs € 1,17 per plant (€ 17,50/15). De prijs van losse cocos bedraagt € 1,30 per 9 liter. Uitgaande van potten van 7 liter zijn de kosten € 1,01 per plant (€ 1,30/9 * 7). Ook cocos kan meerdere oogsten mee, waardoor de kosten per plant dalen. Ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal uitgegaan worden van de hoogste kosten per plant bij gebruik van steenwol, € 1,18. 54 www.hennepdesk.nl/articles: Op verzoek!! Je eigen kweekhok bouwen 04-04 36 3.3.3 Waterverbruik In het onderzoek “Haagsche Gladiolen” heeft men het watergebruik per cyclus berekend aan de hand van het kweekschema dat is gebaseerd op de methode van kweken op steenwol. Uit het kweekschema blijkt een aanbevolen waterverbruik van 16,35 liter water per hennepplant per oogst. Bij een prijs per liter water van € 0,0014 (€ 1,40 per m³ incl. BTW) bedragen de directe kosten voor het watergebruik per plant per cyclus naar boven afgerond (16,35 x € 0,0014) = € 0,03 (€ 0,02289). 3.3.4 Voedingsstoffen In het onderzoek “Haagsche Gladiolen” zijn aan de hand van diverse voedingsschema’s die op internet zijn aangetroffen, de directe voedingskosten per cyclus berekend. De uitkomst hiervan is € 1,24 als gemiddelde kosten voor voedingsstoffen per hennepplant. 3.3.5 Totale variabele kosten per plant Op grond van het bovenstaande kan de volgende variabele kostenpost per plant worden berekend: Kostenpost Kosten per plant Stekken € 1,94 Kweekmedium € 1,18 Water € 0,03 Voedingsstoffen € 1,24 Totale variabele kosten € 4,39 Tabel 9: Totale variabele kosten per plant Norm variabele kosten per plant Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent de variabele kosten zijn aangetroffen, voor variabele kosten € 4,40 per plant als norm aangehouden. 37 3.4 Overige kosten In deze paragraaf komen de kosten aan de orde waarvan op voorhand niet duidelijk is dat deze ook gemaakt zijn door betrokkene. Zo kan bijvoorbeeld de elektriciteit illegaal afgenomen zijn en kan betrokkene de henneptoppen zelf geknipt hebben. Er zijn dan geen kosten gemaakt die in mindering gebracht kunnen worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkweek. 3.4.1 Elektriciteit Het kweken van hennep onder assimilatielampen kost veel elektriciteit. De kosten hiervoor kunnen dan ook flink oplopen. Bij het merendeel van de aangetroffen kwekerijen werd de elektriciteit illegaal afgenomen, vermoedelijk ter voorkoming van een dergelijke hoge kostenpost en ontdekking van de kwekerij als gevolg van een (veel) hogere energie afname. Om te kunnen bepalen of en in hoeverre kosten voor verbruik van elektriciteit in mindering gebracht kunnen worden in het kader van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal derhalve eerst vastgesteld moeten worden of de elektriciteit legaal dan wel illegaal, bijvoorbeeld buiten de meter om of door manipulatie van de meter, verkregen is. Elektriciteit illegaal afgenomen Bij illegale afname van elektriciteit zijn geen kosten gemaakt die bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht kunnen worden. Indien betrokkene kan aantonen dat hij achteraf de afgenomen elektriciteit aan de energiemaatschappij heeft betaald, kan deze betaling alsnog als kosten in mindering gebracht worden. Elektriciteit is immers noodzakelijk om hennep te kweken en de kosten staan dus in directe relatie tot het delict. Illustratief in dit geval is de reeds genoemde uitspraak van het Hof Den Bosch in 2001waarin het hof geen rekening houdt met de aftrek van kosten die nog niet (aantoonbaar) door betrokkene betaald waren55. Mocht betrokkene achteraf alsnog de energiemaatschappij betalen, dan gelden de volgende aandachtspunten: • De energiebedrijven brengen bij de navordering ook administratie- en aansluitingskosten in rekening. Daar deze kosten niet in directe relatie staan tot het delict kunnen deze niet in mindering gebracht worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. 55 Hof Den Bosch 5 oktober 2001, JOW 2002/5 “Met betrekking tot de energienota die verweerder verschuldigd is aan Essent, stelt het hof vast dat blijkens het faxbericht van Essent het totale verschuldigde bedrag door verweerder nog niet is betaald en de vordering inmiddels is overgedragen aan een deurwaarder, zodat niet kan worden gesproken van door verweerder gemaakte kosten voor het plegen van het bewezen verklaarde feit, welke voor aftrek in aanmerking zouden kunnen komen”. 38 • De achteraf betaalde kosten die gerelateerd kunnen worden aan de in beslag genomen planten en/of oogst kunnen niet in mindering gebracht worden daar ze niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict56. N.B.: Als de vergoeding voor de illegaal verkregen elektriciteit na het onherroepelijk worden van de ontnemingsmaatregel alsnog aan de elektriciteitsmaatschappij wordt betaald, zou betrokkene een succesvol beroep kunnen doen op verlaging van de opgelegde betalingsverplichting via art. 577b Sv57 . Door het illegaal afnemen en niet betalen van elektriciteit heeft betrokkene overigens nog een wederrechtelijk voordeel verkregen. Ook dit voordeel zou, als besparing van kosten, ontnomen kunnen worden. Echter, op het moment dat deze besparing als voordeel ontnomen wordt, zijn er voor datzelfde bedrag kosten gemaakt in het kader van de kweek van hennep en kan hetzelfde bedrag als kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel van de hennepkweek, waardoor het totale te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel niet verandert. Anders gezegd, door deze niet betaalde elektriciteitskosten niet in mindering te brengen, wordt het voordeel wegens de besparing van kosten indirect tot uitdrukking gebracht via de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkweek. Om die reden wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel uit diefstal van elektriciteit niet afzonderlijk ontnomen. Dat ook het Hof Leeuwarden deze praktische gang van zaken voorstaat, blijkt uit een uitspraak uit 200258: “Veroordeelde heeft ter zake van het sub 6.2 genoemde strafbare feit wederrechtelijk verkregen voordeel genoten. Hij heeft elektriciteit gebruikt zonder daarvoor te betalen. Deze elektriciteit heeft hij aangewend voor de productie van hennep (6.1). In het kader van de schatting van het ter zake van dat feit wederrechtelijk verkregen voordeel zouden elektriciteitskosten voor aftrek in aanmerking komen. Om die reden zal het hof een schatting van het sub 6.2 verkregen voordeel achterwege laten, hetgeen in casu – uiteraard – betekent dat door de veroordeelde gemaakte (maar niet betaalde; EAHW) elektriciteitskosten als kostenpost in het kader van de sub 6.1 bedoelde productie van hennepplanten buiten beschouwing dienen te blijven.” 56 Hof Den Bosch 17 juni 2003, JOW 2004/29; door het hof wordt ¾ deel van de achteraf aan het energiebedrijf betaalde kosten in mindering gebracht omdat betrokkene verklaarde dat de in beslag genomen kweek voorafgegaan werd door drie geslaagde oogsten. 57 Hof Den Bosch 28 januari 2004, JOW 2004/38 58 Hof Leeuwarden 18 juni 2002, JOW 2005/28 39 N.B.: Indien niet aangetoond kan worden dat er vóór de in beslag genomen planten eerdere oogsten geweest zijn (en dus berekening voordeel uit hennepkweek niet mogelijk is), kan het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de illegaal verkregen elektriciteit wel als besparing van kosten ontnomen worden, tenminste voor zover deze ten tijde van het opleggen van de ontnemingsmaatregel niet al achteraf betaald is aan de energiemaatschappij. Dit geldt natuurlijk ook voor de gestolen elektriciteit die verbruikt is voor de in beslag genomen oogst. Elektriciteit legaal afgenomen Indien de elektriciteit legaal is afgenomen, kunnen de gemaakte kosten in mindering gebracht worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De vaststelling van de hoogte van deze kosten kan op twee manieren gebeuren. Ten eerste kan aan de elektriciteitsmaatschappij gevraagd worden hoe hoog het verbruik de afgelopen periode geweest is en wat het verbruik gemiddeld zou zijn geweest in een situatie zonder hennepkweek. Het is aannemelijk dat het verschil tussen beide gegevens de kosten voor de hennepkweek betreffen (de gegevens omtrent het hogere verbruik kunnen overigens ook gebruikt worden om te bepalen hoe lang de kwekerij al in bedrijf is geweest, zie § 2.1.1). De kosten die gerelateerd kunnen worden aan de in beslag genomen planten en/of oogst, kunnen niet in mindering gebracht worden daar ze niet in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict. Indien deze gegevens niet beschikbaar zijn, kan aan de hand van de aangetroffen apparatuur het verbruik berekend worden. Uit diverse aangiften van energiebedrijven blijkt dat het grootste deel van de elektriciteitskosten (circa 90%) voor rekening van de lampen komt. Geteld zal moeten worden hoeveel lampen van welke sterkte (Watt) boven de planten hangen. Uit het kweekschema van negen weken kan worden opgemaakt dat de lampen gedurende de eerste week 18 uur per dag moeten branden en gedurende de overige acht weken 12 uur per dag. Dit zijn in totaal per kweekperiode 798 branduren. De kostprijs voor elektra tegen het hoogste tarief (incl. BTW) was in 2004 bij Eneco 0,19339 per kWh. Ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gerekend met € 0,20 per kWh. In de 86 kwekerijen die in het project “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerijen” onderzocht zijn, zijn alleen lampen van 400 en 600 Watt aangetroffen. Omdat in de literatuur ook sprake is van lampen van 1.000 Watt, zijn deze in de onderstaande tabel ook meegenomen. 40 Assimilatielampen hebben voorschakelapparatuur nodig. Omtrent het elektriciteitsverbruik bestaan diverse meningen waarbij het verbruik varieert van 10% van het wattage van de lamp tot 100 Watt. In onderstaande tabel is uitgegaan van het hoogste vermoedelijke verbruik, namelijk 100 Watt per voorschakelapparaat. Uitgaande van een extra verbruik van circa 10% voor de overige apparatuur zijn de kosten per lamp per oogst als volgt: Wattage lamp Voorschakel apparaat Totaal incl. VSA Watt + 10% Uren per oogst kWh per oogst Prijs per kWh in € Totaal per oogst in € Afgerond per oogst in € 400 100 500 550 798 438,9 0,20 87,78 90,00 600 100 700 770 798 614,46 0,20 122,89 125,00 1.000 100 1.100 1.210 798 965,58 0,20 193,12 195,00 Tabel 10: Elektrakosten per oogst per lamp Van vier politieregio’s zijn in totaal tien aangiften van energiebedrijven ontvangen waaruit ook het aantal lampen en het wattage per lamp blijkt. In acht gevallen blijken de op bovenstaande wijze berekende kosten hoger te zijn dan de volgens het energiebedrijf niet betaalde kosten, terwijl bij één aangifte de niet betaalde kosten volgens het energiebedrijf slechts marginaal hoger zijn. Bij de laatste aangifte is de door het energiebedrijf berekende nabetaling substantieel hoger. Uit de bij deze aangifte gevoegde berekening blijkt dat het energiebedrijf gerekend heeft met een extra elektriciteitsverbruik van twee aanwezige kachels van elk 2 Kilowatt die twaalf uur per dag gebrand zouden hebben. In de gegeven situatie met 69 plantjes en negen lampen, lijkt dit een erg hoge aanname. Norm elektriciteitskosten bij legale afname Gezien het bovenstaande worden ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij bij legale afname van elektriciteit per geslaagde en niet in beslag genomen oogst, indien een berekening van het energiebedrijf niet voorhanden is, bovenstaande in de tabel opgenomen bedragen als norm per aangetroffen assimilatielamp (afhankelijk van het wattage) aangehouden. 41 3.4.2 Personeelskosten Personeelskosten in directe relatie tot de teelt van hennep kunnen in mindering gebracht worden op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gegeven dat er personeelskosten betaald zijn, kan blijken uit het strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast kan ook betrokkene gedocumenteerd aannemelijk maken dat er personeelskosten betaald zijn. Ten behoeve van het vaststellen van de aannemelijkheid van deze personeelskosten zullen de naam en verdere persoonsgegevens bekend moeten worden, waarna deze persoon gehoord kan worden over de verrichte werkzaamheden. Een specifieke kostenpost zijn de kosten gemaakt ten behoeve van het knippen van de henneptoppen. Indien hieromtrent geen gegevens bekend zijn, wordt er van uit gegaan dat het knippen van de henneptoppen door betrokkene zelf wordt gedaan en dat er derhalve geen kosten mee gemoeid zijn. Indien betrokkene aannemelijk kan maken dat hij aan andere personen een vergoeding betaald heeft voor het knippen van de henneptoppen zal nagegaan moeten worden of de genoemde kosten aannemelijk zijn. Omtrent vergoedingen aan knippers van henneptoppen zijn de volgende gegevens ontvangen: • in de regio Brabant Noord kan uit de verklaring van een betrokkene in 2003 worden opgemaakt dat de knippers een uurloon ontvangen van € 12,50 per uur. Tevens kan uit deze verklaring worden opgemaakt dat de knippers ongeveer 6 planten per uur knippen; • uit een uitspraak van het Hof Leeuwarden blijkt dat betrokkene heeft verklaard dat hij in 1996 en 1997 per plant voor het knippen € 1,36 (NLG 3,-) betaalde59; • in een onderzoek in de regio Friesland heeft een betrokkene in 2001 verklaard dat hij voor het knippen € 6,81 tot € 7,94 (NLG 15,- tot NLG 17,50) per uur betaalde; • in een onderzoek in de regio Haaglanden valt uit verklaringen van medeverdachten en getuigen op te maken dat voor het knippen € 11,35 (NLG 25,-) per uur betaald werd; • in het onderzoek “Haagsche Gladiolen” is door de onderzoekers zelfstandig vastgesteld dat er ongeveer acht planten per uur geknipt konden worden. Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het mogelijk moet zijn om zes planten per uur te knippen en dat de maximale genoemde uurvergoeding € 12,50 bedraagt. Een norm van € 2,- per plant voor knipkosten is dan ook een aannemelijk uitgangspunt. Norm voor kosten knippers Gezien het bovenstaande wordt ten behoeve van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een hennepkwekerij, waarbij geen concrete aanwijzingen omtrent het knippen zijn aangetroffen én indien aannemelijk is dat betrokkene niet zelf geknipt heeft, voor knipkosten € 2,- per plant als norm aangehouden. 59 Hof Leeuwarden 19 december 2000, JOW 2004/19 42 3.4.3 Huisvestingskosten Zoals hierboven in § 3.1 reeds aangegeven kunnen op grond van criteria van de Hoge Raad alleen de voor het gepleegde feit extra gemaakte kosten in mindering gebracht worden, ofwel alleen kosten die niet gemaakt zouden zijn als de illegale activiteiten niet waren gepleegd. Voor huisvestingskosten als huur of hypotheekrente houdt dit in dat deze kosten alleen in mindering gebracht kunnen worden als ze niet ook al voor legale doeleinden gemaakt zijn. Indien bijvoorbeeld in een bewoond huis een hennepkwekerij gevestigd is, zouden deze kosten ook gemaakt zijn zonder de kwekerij en komen ze dus niet voor aftrek in aanmerking. Indien dezelfde woning enkel en alleen is verworven voor gebruik voor hennepkweek kunnen de kosten wel in mindering gebracht worden. Dat ook bij bedrijfspanden deze redenering opgaat, blijkt uit de conclusie van de A-G. bij de Hoge Raad waarin deze stelt dat het hof niet onbegrijpelijk de huurkosten buiten beschouwing heeft gelaten, omdat deze niet in directe relatie stonden tot het gepleegde delict nu verdachte heeft verklaard dat hij deze kosten al had in verband met de huur van de ruimte voor zijn bedrijf in hetzelfde pand en verdachte deze kosten dus ook had gehad als hij geen hennepkwekerij was begonnen60. 60 Hoge Raad 15 juni 2004, JOW 2005/24 43 Jurisprudentieoverzicht Instantie Datum JOWnummer Voetnoot Hoge Raad 08-07-1992 1996/50 32 Hoge Raad 19-05-1998 1998/50 34, 40 Hoge Raad 08-07-1998 1998/54 33, 42 Hoge Raad 03-10-2000 2000/38 35 Hoge Raad 30-10-2001 2002/1 33 Hoge Raad 28-01-2003 2003/11 21 Hoge Raad 15-04-2003 2004/25 38 Hoge Raad 20-01-2004 2004/9 22 Hoge Raad 15-06-2004 2005/24 60 Hoge Raad 29-06-2004 2005/23 39 Hoge Raad 24-08-2004 2005/25 43, 48 Hof Den Bosch 26-01-2001 2005/30 46 Hof Den Bosch 05-10-2001 2002/5 12, 36, 41, 55 Hof Den Bosch 17-06-2003 2004/29 56 Hof Den Bosch 28-01-2004 2004/38 57 Hof Den Bosch 05-07-2004 2005/29 7 Hof Den Haag 29-06-2001 2005/27 15 Hof Leeuwarden 19-12-2000 2004/19 37, 47, 59 Hof Leeuwarden 18-06-2002 2005/28 58 Rechtbank Middelburg 11-08-1999 1999/59 45 Deskundigenonderzoek Dr. ir. M.A.J. Toonen, Ir. J.T.N.M. Thissen Plant Research International B.V., Wageningen 12 april 2005 Opbrengstbepaling van illegale hennepteelt in Nederland Deskundigenonderzoek © 2005 Wageningen, Plant Research International B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Plant Research International B.V. Wageningen UR Plant Research International B.V. Adres : Droevendaalsesteeg 1, Wageningen : Postbus 16, 6700 AA Wageningen Tel. : 0317 - 47 70 00 Fax : 0317 - 41 80 94 E-mail : marcel.toonen@wur.nl Internet : http://www.plant.wur.nl Inhoudsopgave 0. Management samenvatting 3 1. Inleiding 5 2. Materiaal en methoden 7 3. Resultaten 9 4. conclusie 11 Bijlage I 12 Bijlage II 15 Bijlage III 18 Bijlage IV 21 3 0. Management samenvatting Bij 86 invallen in illegale hennepkwekerijen in 10 verschillende politieregio’s zijn door de politie Cannabis planten verzameld. Bij Plant Research International, Wageningen UR, is de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen (ook wel kruid, marihuana of nederwiet genoemd) bepaald van planten van in totaal 77 kwekerijen. De opbrengstgegevens zijn geanalyseerd en er is een model opgesteld waarmee de opbrengst kan worden voorspeld. Uit dit model blijkt dat voor een gemiddelde Nederlandse illegale hennepkwekerij de opbrengst 33,7 gram aan vrouwelijke bloeiwijzen per plant is. Met inachtneming van een eenzijdig betrouwbaarheidsinterval van 95% ligt de ondergrens op 28,2 gram per plant. Dit betekent dat gesteld kan worden dat een Nederlandse illegale hennepkwekerij met een kans van 95% tenminste een gemiddelde van 28,2 gram aan vrouwelijke bloeiwijzen per plant kan realiseren. In bijlage IV is tevens de opbrengst per plant aangegeven voor 1 tot en met 40 planten per m2 . Wageningen, 12 april 2005 Dr. ir M.A.J. Toonen Ir. J.T.N.M. Thissen Senior onderzoeker Biodiversiteit en Veredeling Senior onderzoeker Biometris 4 5 1. Inleiding Illegale teelt van Cannabis richt zich op het telen van vrouwelijke planten. De vrouwelijke bloeiwijzen (ook wel kruid genoemd) bevatten een hoog gehalte van de psychoactieve stof ∆9-tetrahydrocannabinol (THC). Na het oogsten en drogen van de vrouwelijke bloeiwijzen ontstaat een product dat bekend staat als Cannabis, marihuana of nederwiet. In het kader van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (ontnemingwetgeving) bij het illegaal telen van Cannabis is het van belang de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen in grammen per plant of per m2 kweekruimte te kunnen bepalen. In 1995 is het rapport ‘inzake de opbrengst van hennepplanten bij “binnenkweek” ‘1 verschenen. Op grond van bronnenonderzoek komen de auteurs tot een gemiddelde opbrengst van 22 gram vrouwelijke bloeiwijzen per plant. Bij 86 invallen in illegale hennepkwekerijen zijn door de politie Cannabis planten verzameld. Per inval zijn 12 willekeurig gekozen planten in beslag genomen en vergezeld van een invulformulier aangeleverd aan Plant Research International. Op het invulformulier (zie bijlage 1) zijn een aantal kenmerken van de illegale hennepkwekerij vermeld. Van de 12 planten werd door Plant Research International het ontwikkelingsstadium vastgesteld en werden willekeurig twee sets van zes planten samengesteld. De planten werden drie dagen gedroogd bij 35 ° C. Hierna, werden per set van zes planten de vrouwelijke bloeiwijzen geplukt. Het hierdoor verkregen product is het kruid zoals dat normaliter wordt gerookt. Van iedere individuele set is de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen bepaald. Van de gegevens van de 86 kwekerijen zijn er 77 in de uiteindelijke analyse betrokken. Zes kwekerijen zijn uitgevallen vanwege ontbrekende gegevens op het invulformulier en drie vanwege fouten tijdens de verwerking. In deze notitie wordt een model gepresenteerd om de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen per plant te voorspellen op grond van een aantal indicatoren. Daarbij bleken het ontwikkelingsstadium van de plant, de hoeveelheid aanwezige assimilatiebelichting en het aantal planten per m2 een sterke relatie te hebben met de opbrengst. 1 Huizer, H., Poortman - van der Meer, A.J. (1995) Rapport inzake de opbrengst van hennepplanten bij “binnenkweek”. Gerechtelijk laboratoium van het ministerie van justitie, Rijswijk. 6 7 2. Materiaal en methoden Monster behandeling Tijdens invallen in illegale hennepkwekerijen zijn door de politie twaalf willekeurig gekozen planten (zie Bijlage I) in beslag genomen en aangeleverd bij Plant Research International in Wageningen. De materialen zijn verkregen van invallen in 10 verschillende politieregio’s (Tabel 1) in de periode mei 2003 tot en met maart 2004. Tabel 1: Onderverdeling van materiaal naar politieregio Regiocode Regio aantal 3 Drenthe 3 4 IJsselland 9 5 Twente 7 7 Gelderland-Midden 6 9 Utrecht 11 14 Gooi en Vechtstreek 1 15 Haaglanden 10 17 Rotterdam-Rijnmond 1 20 Midden en West Brabant 19 23 Limburg-Noord 10 Totaal 77 Tijdens de inval is door de politie een formulier ingevuld (zie Bijlage I) waarop voor de illegale hennepkwekerij de volgende informatie is aangegeven: • Aantal planten • Oppervlakte van de kweekruimte • Beplante oppervlakte van de kweekruimte • De soort bodem • Het type verwarming • De wijze van ventileren • De aanwezigheid van signaleringsvellen voor ziektebestrijding • Het type assimilatielampen • Het vermogen van de assimilatielampen • Het aantal assimilatielampen in de kweekruimte • De aanwezigheid van voedings- c.q. meststoffen • De aanwezighied van CO2 Omdat de invallen niet altijd plaats vonden op het moment dat de planten (bijna) geoogst zouden worden, werd na binnenkomst bij Plant Resarch International het ontwikkelingsstadium van de planten bepaald aan de hand van de volgende typering: Stadium Beschrijving 1 beginnende bloeiwijze groen 2 kleine bloem groen 3 ontwikkelende bloem groen 4 ontwikkelde bloem groen 5 start indrogen 6 verkleuren haartjes (naar roodbruin) 7 begin harsvorming, plakkerig 8 harsvorming 9 volgroeide bloem 10 volgroeide knop, veel hars, oogststadium 8 De planten werden door de politie of bij Plant Research International willekeurig verdeeld in twee sets van elk zes planten en drie dagen gedroogd bij 35 0 C. Per set werden de vrouwelijke bloeiwijzen van de planten geplukt. De opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen werd per set van zes planten bepaald door het wegen van de bloeiwijzen. Statistische analyse De betrouwbaarheid van de bepaalde opbrengst aan kruid wordt bepaald door de de opbrengsten van de twee sets van één inval met elkaar te vergelijken. Als het verschil tussen de 2 opbrengsten per set van eenzelfde kwekerij te veel afwijkt van de verschillen bij de andere kwekerijen is gecontroleerd of er mogelijke fouten zijn gemaakt. Op basis hiervan zijn 3 kwekerijen van verdere analyse uitgesloten. Zes kwekerijen zijn uitgesloten op grond van ontbrekende gegevens op het invulformulier. De te voorspellen variabele (ook wel responsvariabele genoemd) in het opbrengst-model is: • De kruidopbrengst per plant: het gemiddelde van de opbrengst van 12 planten (2 sets van 6 planten). De verklarende variabelen in het model zijn: • Het ontwikkelingsstadium: verkregen door een visuele bepaling aan de hand van de hierboven beschreven kenmerken. • Het aantal planten per m2 : berekend door het aantal planten te delen door de beplante oppervlakte van de kweekruimte waar de planten gestaan hebben. • Het vermogen assimilatiebelichting per m2 : berekend door het (gemiddeld) vermogen per assimilatielamp te vermenigvuldigen met het totaal aantal lampen en te delen door de beplante oppervlakte van de kweekruimte waar de planten gestaan hebben. • De soort bodem. • Het type verwarming. • De wijze van ventileren. • De aanwezigheid van signalering voor ziektebestijding. • Het type assimilatielampen. • Het gebruik van voeding. Aangezien in geen enkel geval CO2 is aangetroffen is dit niet meegenomen als verklarende variabele in het model. De statistische analyse is uitgevoerd met de ‘subset selectie’2 methode in Genstat 73. Subset selectie is een statistische regressietechniek om een zo goed mogelijk voorspellend regressiemodel voor een responsvariabele te vinden met behulp van een beperkt aantal verklarende variabelen uit een (grotere) set van verklarende variabelen. Het berekent daarvoor achtereenvolgens de beste regressiemodellen met slechts één verklarende variabele, vervolgens de beste modellen met twee verklarende variabelen etc.. Op grond van de selectiemethode kan het beste verklarende model voor de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen worden bepaald. 2 Furnival, G.M. and Wilson, R.W. (1974). Regression by leaps and bounds. Technometrics, 16, 499-511. Montgomery, D.C. and Peck, E.A. (1992). Introduction to linear regression analysis, second edition. Wiley. New York. 3 Genstat 7.2 voor Windows, geleverd door VSN International Ltd, UK 9 3. Resultaten Om op grond van de 77 sets planten te voorspellen wat de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen zou zijn geweest op het moment van oogsten, is een opbrengstmodel ontwikkeld met behulp van de subset methode. Dit model geeft een representatief beeld van de opbrengst aan vrouwelijke bloeiwijzen voor de gemiddelde Nederlandse kwekerij. In Bijlage II worden de ruwe data gepresenteerd die als input zijn gebruikt in de statistische analyse. Hieruit zijn histogrammen van het aantal kwekerijen gemaakt opgesplitst naar 4 verklarende variabelen (Figuur 1). Figuur 1: histogrammen van het aantal kwekerijen opgesplitst naar de verklarende variabelen het ontwikkelingsstadium van de planten, het aantal planten per m2 , totaal aantal planten per kwekerij en het vermogen aan assimilatiebelichting per m2 . Figuur 1 laat zien dat de meeste kwekerijen (23) 100 tot 200 planten bevatten en dat er 9 kwekerijen zijn met meer dan 1000 planten. Dertig kwekerijen bevatten 9 - 16 planten per m2 en 20 kwekerijen hebben 17 - 24 planten per m2 . Het vermogen aan assimilatieverlichting ligt in 17 kwekerijen tussen de 500 en 600 W per m2 en in 15 kwekerijen tussen de 300 en 400 Watt per m2 . De inbeslag genomen Cannabis planten variëren van ontwikkelingsstadium 2 tot ontwikkelingsstadium 8,5 (Figuur 1). Ontwikkelingsstadium 10 komt overeen met het oogststadium. In dit stadium heeft de Cannabis plant zijn hoogst mogelijke opbrengst aan vrouwelijk kruid. Van de 77 waarnemingen van het aantal planten per m2 is de mediaan4 15,37. Voor het vermogen per m2 is de mediaan 510 W. De ‘gemiddelde’ hennepkwekerij heeft dus 15 planten per m2 en 510 W assimilatiebelichting per m2 . Met subset selectie is onderzocht welke combinaties van verklarende variabelen de opbrengst per plant het beste voorspellen. De uitkomsten zijn vermeld in Bijlage III. Achtereenvolgens zijn de best verklarende (in termen van de hoeveelheid verklaarde variantie) modellen met 1, 2, 3, 4 en 5 verklarende variabelen getoond. De getallen in de kolommen onder (1), (2), (3) etc. stellen de overschrijdingskansen voor van de toets op de (nul)hypothese dat de respons variabele een lineaire samenhang vertoont met de verklarende variabele die de desbetreffende kolom representeert. Getallen beneden de .050 impliceren dat er een relatie is aangetoond tussen de respons variabele en 4 De mediaan is het midden van een verdeling, dat wil zeggen dat 50% van de getallen onder de mediaan ligt en 50% erboven. De mediaan wordt minder beinvloed door een paar extreme waarden in de dataset dan het gemiddelde. totaal aantal planten per kwekerij vermogen aan assimilatieverlichting per m2 0 5 10 15 20 2 2.5 3 3.5 4 4.5 5 5.5 6 6.5 7 7.5 8 8.5 ontwikkelingsstadium van de planten aantal kwekerijen 0 5 10 15 20 25 30 1-8 9-16 17-24 25-32 32-39 40-47 48-55 >56 aantal planten per m2 aantal kwekerijen 0 5 10 15 20 25 30 1-100 101-200 201-300 301-400 401-500 501-600 601-700 701-800 801-900 901-1000 >1000 aantal kwekerijen 0 5 10 15 20 101-200 201-300 301-400 401-500 501-600 601-700 701-800 801-900 901-1000 >1000 aantal kwekerijen 10 de verklarende variabele. Uit de analyse komt naar voren dat met behulp van de 3 verklarende variabelen ontwikkelingsstadium, aantal planten per m2 en vermogen assimilatiebelichting per m2 een regressiemodel opgesteld kan worden dat rond de 37% van de variantie verklaart. Voor de respons variabele opbrengst per plant lijken de factoren ventilatie en voeding het percentage verklaarde variantie nog op te kunnen voeren naar iets meer dan 40%, maar op grond van biologische aspecten is deze toename niet realistisch. Vandaar dat het model met de 3 verklarende variabelen ontwikkelingsstadium, aantal planten per m2 en vermogen assimilatiebelichting per m2 beschreven wordt. Hieronder worden de regressiecoëfficiënten voor het model gegeven in de kolom coëfficiënt. In de kolommen ernaast zijn de standaardafwijkingen (s.e.) van de coëfficiënten, de t-waarden (t(73)) voor de t-toets (met 73 graden van vrijheid) of de coëfficiënten gelijk zijn aan 0 en de bij de t-toets behorende overschrijdingskansen (P) gegeven. Tabel 2: Regressiecoëfficiënten voor opbrengst per plant coëfficiënt s.e t(73) P Constante -8,06 5,99 -1,35 0,183 Ontwikkelingsstadium 4,261 0,857 4,97